Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ge- - (voorvoegsel met diverse functies)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ge- voorv. met diverse functies
Al vanaf de Oudnederlandse periode is ge- (met vormvariant onl. gi- en spellingsvariant mnl. ghe-) een productief voorvoegsel, zowel bij het verleden deelwoord als in andere functies.
Inheems Germaans voorvoegsel, wrsch. met oorspr. betekenis ‘met, samen’. In het Gotisch is deze betekenis in sommige woorden nog duidelijk terug te vinden (bijv. ga-qiman ‘samenkomen’), maar lang niet in alle woorden. In de jongere Oudgermaanse talen treedt zij nog minder op (behalve in de verzameling collectieve zn., zie hierna), en drukt het voorvoegsel voornamelijk perfectiviteit, d.w.z. voltooiing van een handeling, uit. De distributie ervan in de Oudgermaanse geschriften is echter grillig en de Germaanse ontwikkeling is verre van opgehelderd. De heersende opinie is desondanks dat alle latere functies uit de oorspr. betekenis ‘met, samen’ zijn voortgekomen.
De vormen van dit voorvoegsel in de andere Oudgermaanse talen zijn: os. gi-; ohd. ga- > gi- > ge- (mhd., nhd. ge-); ofri. gi-, ge-, door palatalisering (tot /j/) later je-, i- ; oe. gi-, ge-, door palatalisering later i- (bijv. nog in handicraft ‘handwerk’), y- (bijv. nog in everywhere ‘overal’), e- (bijv. nog in enough ‘genoeg’); on. g- (toen al slechts als relict); got. ga-; < pgm. *ga-. Alleen in het Hoogduits en het Jiddisch, het Letzeburgs, en het Nederlands is het herkenbaar en productief gebleven.
Meestal wordt pgm. *ga- vergeleken met het Latijnse voorzetsel cum ‘samen, met’ (veelvuldig aanwezig als voorvoegsel → com- in leenwoorden) en Oudiers con- ‘met’, en wordt dan teruggevoerd op pie. *ḱo(m)-. Klankwettig zou hieruit echter pgm. *ha(m)- moeten zijn ontstaan. Men verklaart de g als een speciaal geval van grammatische wisseling, die normaal niet in de anlaut werkt.
Alle huidige toepassingen van dit voorvoegsel zijn ook al in het Middelnederlands aanwezig. De belangrijkste daarvan zijn:
a) Het markeert het verleden deelwoord. In het Middelnederlands is deze functie minder gegrammaticaliseerd dan nu; zo ontbreekt g(h)e- bij de deelwoorden van enkele werkwoorden die zelf al een perfectieve (resultaatgerichte) betekenis hebben, zoals worden, vinden, brengen, komen.
b) Het vormt nomina actionis bij werkwoorden, bijv. geschreeuw ‘het schreeuwen’, gezeur ‘het zeuren’, en enkele meer gelexicaliseerde zn., bijv.gebed, → geding, → geschil, → gevecht, → gezang; deze functie is nog steeds productief.
c) Het vormt collectieve zn. uit enkelvoudige zn., in combinatie met het achtervoegsel -te, bijv.gebergte, → gesteente (zie verder → ge-te); bij enkele persoonsaanduidingen ontbreekt -te, bijv. in → gebroeders, → gepeupel, hierbij als lid van een collectief ook → genoot, → gezel.
d) Het vormt collectieve zn. uit werkwoordsstammen, bijv.gebak, → gemaal 1, → geschenk, → gesticht, → gevoel, → gewas; ook het resultaat van het werkwoord, bijv.gebak, → gebouw; soms wordt een zn. als basis gebruikt, bijv. bij → gebroed, → geslacht.
e) Het vormt bn. uit zn., met de betekenis ‘voorzien van’, bijv. gebloemd, gelobd, geribbeld, van abstracte begrippen o.a.geaard 1, → gegadigde, → gerust, → gezind; deze productiviteit is later grotendeels overgenomen door → be-.
f) In het Middelnederlands werd ge- veelvuldig gebruikt voor de vorming van werkwoorden uit andere werkwoorden. Het betekeniselement dat hierbij werd toegevoegd was dat van ‘veelvoudigheid’, waaruit zich dat van ‘volledigheid’ en ‘intensiteit’ ontwikkelde en daaruit ‘moeilijkheid’. Van deze functie als verbaal voorvoegsel is de productiviteit in het Vroegnieuwnederlands geleidelijk verdwenen, maar er zijn nog vele sporen van te vinden in de hedendaagse woordenschat. Voorbeelden zijn: → gebeuren, → gebieden, → gedijen, → gedragen, → geleiden, → gezeggen. Het simplex is in veel gevallen verdwenen, bijv. van → gebruiken, → gedogen, → genezen, → genieten, → geschieden.
g) Ook in oude bn. drukt, of drukte, ge- volledigheid uit, zie bijv.geheel, → geruim, → getrouw, en met niet meer bestaand simplex, bijv.gedwee, → genoeg, → gezond, → gezwind.
Lit.: G. Postma (1999), ‘De negatief-polariteit van het syntactische GHE-partikel in het Middelnederlands’, in: Nederlandse Taalkunde 4, 310-329; M. Marache (1960), ‘Le composé verbal en ge- et ses fonctions grammaticales en moyen haut allemand’, Parijs

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ge-* [voorvoegsel] {oudnederlands ge-, gi- in bv. gebot 901-1000, middelnederlands ge-} oudsaksisch, oudengels ge-, gi-, oudhoogduits gi-, ga-, oudfries ge-, gi-, (j)e-, i-, gotisch ga-, oudnoors g- (in verstarde samenstellingen; overigens vallen in het oudnoors de voorvoegsels weg). De oorspr. betekenis is ‘samen’. Het woord is vermoedelijk verwant met latijn cum, com, co(n), hoewel de anlaut moeilijkheden oplevert. Mogelijk echter werd deze in de doorlopende rede als inlaut behandeld. Toen de betekenis verbleekte, kreeg ge- de functie om de voltooiing der handeling uit te drukken, vandaar het gebruik in verleden deelwoorden: gegeven, gedragen; daarnaast werd ge- gebruikt ter vorming van possessieve samenstellingen en voor de vorming van verbaalabstracta, bv. gepraat; door toevoeging van ge- en achtervoeging van -te werden collectieven gevormd: gebeente, gebergte, gesteente.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ge- 2 voorvoegsel, mnl. ghe, onfrank. ge-, gi-, os. gi-, ge-, ohd. gi-, ga-, ofri. ge-, gi-, (j)e-, i-, oe. ge-, gi-, on. g- (alleen in verstarde samenstellingen als gnōgr ‘genoeg’), got. ga-.

De herkomst van het voorvoegsel is omstreden; de formele overeenstemming van got. gamains, lat. communis maakt het wel zeer waarschijnlijk, dat het samenhangt met lat. praefix co-, com-, waarbij men dan moet aannemen, dat in zwakbetoonde voorlettergreep de germ. scherpe gutturale spirant tot een zachte werd veranderd. Misschien moet men onderscheid maken tussen een voorv. ge-, dat de gemeenschap tussen personen of dingen aanduidt (genoot, geboomte) en een ander, dat perfectieve betekenis had en in de werkw. een rol speelt: bijv. in de vorming van het verl. deelw. Dit heeft men vergeleken met oi. jabhara ‘baarde’, eig. ‘droeg tot aan het einde’, osk. ce-bnust (l. ge-bnust) ‘hij zal binnengekomen zijn’; hier is dus de moeilijkheid dat aan idg. go- in het germ. ga- beantwoordde, wat ook aan verzwakking in onbetoonde syllabe toegeschreven moet worden. — Dialectisch is het praefix i-, e-, ontstaan uit ji-, je-, met een voor de ‘kusttaal’ (zogen. inguaeoons) kenmerkende palatalisering; wij vinden deze overgang in het engels (enough; deelw. zonder praefix), aan onze kust, in het Fries en aan de nederduitse kust en van daar uit ook verder in Neder-Duitsland. (vgl. A. R. Holl, Ts 60, 1941, 249 vlgg. over het type igaen ‘gegaan’).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ge- II voorvoegsel, mnl. ghe-, dial. ook i-, e-. Wanneer woorden met en zonder ge- beide voorkomen, hooren de laatste in ’t algemeen oorspr. in noord-ndl., fri. getinte diall. thuis. = onfr. ge-, gi-, ohd. gi-, ga- (nhd. ge-), os. gi- (ge-), ofri. ge-, gi-, (j)e-, i- (zeldzamer dan in andere talen), ags. ge-, gi-, on. g- (zelden, niet meer als levend prefix), got. ga-. In ’t oude Germ. was *ʒa-, *ʒi- als verbaalprefix vooral perfectiveerend. De oorspr. bet. was wsch. “samen, bijeen”. Oorsprong onzeker. De combinatie met lat. co-, con-, cum is formeel niet aannemelijk.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ge- II voorvoegsel. Bij woorden met en zonder ge- moet, vooral wanneer het ww. zijn, rekening worden gehouden met afvallen van het voorvoegsel, omdat dit geen duidelijke functie meer had: zie gelijken Suppl. De combinatie met lat. co-, con-, cum, hoewel van streng klankwettisch standpunt niet aannemelijk, ligt overigens zozeer voor de hand (vgl. bv. de in vorming volkomen identische woorden got. ga-mains, lat. com-mûnis: zie gemeen), dat ze niettegenstaande de formele bezwaren (die wellicht te ondervangen zijn door een bijzondere ontwikkeling in zwak-geaccentueerde positie aan te nemen) hoogst waarschijnlijk mag heten.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ge- 2 praefix, Mnl. ghe, ge, Onfra. ge, gi, Os. ge, gi, i + Ohd. ga, gi (Mhd. en Nhd. ge), Ags. ge (Eng. e, y in enough, handywork), Ofri. ge, gi, i, On. g-, Go. ga: de Ug. vorm is *ga (de andere zijn verdoffingen) beantwoordende aan Lat. co-, Ier. co-: Idg. *ko, waarvan de k in ’t Germ. g werd in plaats van h. Als praefix van ’t v.d. vertoont het zich sporadisch in Go. en Ags., regelmatig in Ohd. en Os.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ge- ‘voorvoegsel waarmee verleden deelwoorden, zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden worden gevormd’ -> Deens ge- ‘voorvoegsel in werkwoorden, voorvoegsel waarmee verleden deelwoorden, zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden worden gevormd’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors ge- ‘voorvoegsel in werkwoorden, voorvoegsel waarmee verleden deelwoorden, zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden worden gevormd’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds ge- ‘voorvoegsel in werkwoorden, voorvoegsel waarmee verleden deelwoorden, zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden worden gevormd’ (uit Nederlands of Nederduits).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut