Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gat - (opening; achterwerk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gat zn. ‘opening; achterwerk’
Mnl. ut den nese gaten (mv.) ‘uit de neusgaten’ [1236; CG I, 23], clene gaten ‘kleine (keel)gaten’ [1276-1300; CG II, Nat.Bl.M], so crupet dor .i. nouwe gat ‘dan kruipt hij door een nauwe opening’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], op u gat gheven ‘op je achterwerk geven’ [1481-83; MNW].
Os. gat ‘oog van een naald’ (mnd. gat ‘holte, breuk’ > nhd. Gatt ‘(zee)gat’); ofri. gat, jet (nfri. gat); oe. geat, gæt (ne. gate deur, poort); on. gat ‘hol, opening’ (nzw. (dial) gat ‘gat’, daarnaast gatt in bijv. Kattegatt uit mnd. of mnl.); < pgm.*gata- ‘opening, passage’. Ook wordt gat wel in verband gebracht met Gotisch bi-gitan ‘bevatten’.
Verdere etymologie onzeker. Er wordt wel gedacht aan verwantschap met Grieks khézein ‘schijten’, khōdanos, ‘achterste’ en Armeens jet ‘staart’, waarbij ook Sanskrit hadati ‘schijten’, < pie.*ghed-, *ghod- ‘gat, schijten’ (IEW 423), maar dit wordt door sommigen niet waarschijnlijk geacht, omdat uit zulk een speciale betekenis niet zo snel een neutraal woord gat zou ontstaan, eerder is het omgekeerde het geval. Vermoedelijk is gat een substraatwoord, dat ook verwant is met on. gata ‘straat, smalle doorgang’ (nzw. gata), got. gatwo ‘straat’ en ohd. gazza ‘smalle straat, steeg’ (nhd. Gasse). Volgens Vennemann 2003 verwant met Baskisch ate ‘deur, poort’.
Voor de uitdrukking in de gaten hebben ‘in het oog hebben’, met als oudste vindplaats ze hebben me in de gaten ‘ze hebben me gezien, in het vizier’ [1842; WNT], bestaan twee mogelijke verklaringen. De eerste is: ‘iemand in het vizier hebben’. Het gaat hier om een vizier van een vuurwapen; een vizier wordt gebruikt om beter op het doel te kunnen richten. De tweede mogelijkheid is dat hier de kijkgaten worden bedoeld, de ogen. Stoett (1901) maakt duidelijk dat deze tweede verklaring de meest aannemelijke is. In de gaten hebben kan ook betekenen dat je door hebt wat iemand van plan is of hoe iets in elkaar zit. In de gaten houden betekent ‘extra op iemand letten’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gat* [opening] {1236} oudsaksisch gat, oudfries jet, oudengels geat [deur, poort], engels gate, oudnoors gat [hol, gat]; verbindingen buiten het germ. blijven onzeker, mogelijk verwant met grieks chodanos [achterste], chezein [schijten], oudindisch hadati [hij schijt]. In de uitdrukking hij is voor één gat niet te vangen [hij is niet gemakkelijk te vangen] wordt met gat bedoeld een van de uitgangen van een hol van konijnen of vossen. Als men een net voor de ene uitgang spant vluchten zij door een andere. Ontleend aan het jagen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gat znw. o., mnl. gat ‘gat, doorgang, deur, hol, opening in het dierlijk lichaam’, os. gat, ofri. jet ‘gat’, oe. geat (ne. gate) ‘deur, poort’, on. gat ‘hol’.

De oude verklaring uit ‘aarsgat’ onder verwijzing naar gr. chézō, oi. hadati, alb. dhjéś ‘schijten’, arm. jet ‘staart’ (Holthausen PBB 11, 1886, 553) bevredigt niet, maar een betere verklaring is voor dit specifiek germaanse woord niet gegeven. Misschien een substraatwoord?

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gat znw. o., mnl. gat o. “gat, doorgang, deur, hol, opening of kanaal in ’t dierlijk lichaam”. = os. gat, ofri. jet o. “gat”, ags. geat o. (eng. gate) “deur, poort”, on. gat o. “hol”. Onaannemelijk is de hypothese, dat de jonger overgeleverde bet. “aarsgat”, die als specialiseering van de algemeene bet. “opening” zeer begrijpelijk is, ’t oudst zou zijn, evenzoo de daarop gebaseerde combinatie met nier. gead (N.B. wsch. uit ’t Ags.), gr. khódanos “achterste”, obg. zadi “achter”, alb. δjes “caco”, arm. jet “staart”, oi. hádati “cacat”, av. zaδah- “podex”. Ook de combinatie met de bij vergeten besproken basis is onwsch. Gat, waarbij wellicht mnl. gāte v. “straat, weg”, ohd. gaʒʒa (nhd. gasse), mnd. gāte, on. gata, got. gatwo v. “straat” behoort, zal òf met idg. gh bij lit. gendù, gèsti “stuk gaan, er slecht aan toe zijn, bederven” (waarmee dan Hes. kothō blàbē ten onrechte verbonden zou zijn) òf met ĝh bij phryg. zétna Phrùgios hē léxis. sēmaínei dè tēn púlēn (Photius) hooren. Van beide wortels kan gr. khazō “ik wijk” — echter met opvallend vocalisme — komen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

gat. Terecht wijst v. Wijk de veel aanvaarde vergelijking met gr. khódanos enz. af. Hiermede staat echter het woord geïsoleerd, want de aan het eind van het art. voorgestelde combinaties zijn te vaag. Ook got. gatwo en de andere germ. woorden voor ‘straat’ zullen wel niet verwant zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gat o., Mnl. id., Os. id. + Ags. geat (Eng. gate), Ofri. jat, jet, On. gat (uit Ndd. Zw. gatt, De. gat), alle = opening, doorgang; hierbij Mnl. gate + Ohd. gaʒʒa (Nhd. gasse), On. gata, Go. gatwo = weg, straat + Skr. hadāmi, Gr. khézein = caccare, khódanos = stuit, Arm. jet = staart, Oier. gead = achterste: Idg. wrt. g̃hed.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

gaat (zn.) 1. opening; Vreugmiddelnederlands gat <1236>; 2. anus; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) gaat, Middelnederlands gat <1481-1483>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2gaai s.nw. (eufemisties)
1. Anus. 2. (skertsend) Gat, opening. 3. Baie dom persoon.
Vervorm uit gat / gaat n.a.v. die mv. (vgl. gat / gaat x gate / gaaie) of verkleinw. (vgl. gaatjie, uitgespreek as gaa(i)tjie) om die assosiasie met gat 'anus' te vermy.

1gaat s.nw.
Anus.
Eufemisme van gat om die assosiasie met gat 'anus' te vermy.

2gaat s.nw. (streektaal) Ook, streektaal, gat.
Koffie.
Verkorting van en vervorm uit witgatboom, so genoem omdat die koffie van die wortels van die witgatboom gemaak word. Gat word eufemisties vervorm tot gaat om die assosiasie met gat 'anus' te vermy.

1gat s.nw.
1. Opening. 2. (plat) Anus.
Uit Ndl. gat (al Mnl. in bet. 1, 1712 in bet. 2). Eerste optekening in Afr. in bet. 1 by Changuion (1844) in die verkleiningsvorm gatje.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1968 in bet. 2).

gat-gat s.nw.
Speletjie waarby daar met allerlei voorwerpe, o.a. albasters, knope, wasters, ens., na 'n reeks gaatjies gegooi word.
Reduplikasie van gat (1gat 1), so genoem omdat daar by herhaling van gat na gat gegooi word. Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880).

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?,

Gat snw. Segsw.: Leen jou gat uit en skyt deur jou ribbe, gesê wanneer jy iets uitgelen het waarom jy dan self in die verleentheid raak. – Dijkstra I, 439: “In oar it gat liene en sels troch de ribben (termen) skite, iets uitleenen, en daardoor zich zelf moeten behelpen” (ook N.T. XIII, 133, word die segswyse as Fries opgegee); Ter Laan 236: Ai’t gat oetlainṇ, mṑi oet ribṃ schietṇ, al te goed is buurmansgek. Reeds Harreb. I, 207: Je gat uitleenen, en zelf door de ribben sch... Eckart 121: Wenn me de sott verlehnt, dan kann me dôr de Rebben drîten. R(heinprovinz); Eckart 20: Wei den As iutlênt, met dör die Tenne (Zähne) schieten. W(estfalen).
Segsw.: Gat omgooi. – Stoett 1945
Segsw.: ’n Mens kan teenswoordig jou eie gat nie meer vertrou nie. – Harreb. II, XLVI: Mijn eigen gat fopt me, zei Trijn, en zij liet bij ongeluk een’ scheet.
Eckart 121: Man kann jetzunder dem eigenen Ârs nicht truen, sä Joseph Meier, da woll hei en Furz lâten un harre sik darbi in de Hose schetten. Han(nover).
Segsw.: Eerste geruik, gatjie gebruik. – Harreb. I, 206: Die het eerst ruikt, Heeft zijn gat gebruikt (vir 17de–eeuse lesinge van die segswyse sien Harreb. III, 184); Joos 820: “Spr.: Die ’t eerst geriekt, zijn holleken heeft gepiept, antwoord op de vraag: wie heeft dien wind gelaten?”

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

gat 'monding van een kreek'
Het toponymisch grondwoord gat duidt in het kustgebied vaak de uitmonding van een kreek aan. Op de hogere gronden van Brabant is het een terreinwoord voor 'kuil, laag, drassig gebied'1. Verwant met ono. gata 'straat, smalle doorgang', got. gatwo 'straat' en ohd. gazza 'smalle straat, steeg'. Een toegangsweg tot een hoger gelegen akker wordt in Vlaanderen in het dialect een gat genoemd. Vergelijk ook mnl. mennegat 'rijweg over het land van een ander'.
Lit. 1Van Loon 1965 26.

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

gat (2) . De minachtende, vulgaire verwensing kus mijn gat! of de variant je kunt mijn gat kussen! ‘bekijk het maar, je kunt me wat’ heeft het karakter van een alledaagse banaliteit. Zij wordt net als lik mijn gat! gebruikt om woede, frustratie, irritatie enz. uit te drukken. Van Eijk (1995: 136) kent ook nog ga je gat maar branden! De emotionele betekenis is ‘ik heb een hekel aan je, ga weg en bekijk het maar’. Mullebrouck (1984) noemt voor Vlaanderen nog het rijmpje kus mijn gat, loop naar de stad! en geeft ook nog de Vlaamse uitbreiding kus mijn gat, het is uit twee stukken! In Vlaanderen kent men ook de verwensing klapt aan mijn gat! Of wij in het geval van klappen te maken hebben met een oorspronkelijke betekenis ‘praten’ of met ‘een kort afgebroken, knappend, knallend of smakkend geluid doen horen’ durf ik niet met zekerheid te zeggen. De emotionele betekenis van de verwensing tendeert naar afkeer, haat, ergernis en kan weergegeven worden met ‘maak dat je wegkomt’. Misschien speelt de bijgedachte ‘ga bazelen tegen mijn achterwerk’ een indirecte rol, omdat in de verwensing ‘iets nutteloos doen’ zit. In een enquête uit 1999 kwam de verwensing 9 maal op 111 zegslieden voor. → aars, hol, kaars, kont, kunnen, naad, naars, poeper(d), reet, rug, schijten, steken, toges, trommel, vessie.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gat ‘opening; anus, achterwerk’ -> Schots † gat ‘gat in de grond; bevaarbaar kanaal’; Duits Gat(t) ‘opening’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens gat ‘afvoergat voor water op zijkant van een schip; anus bij dieren’; Noors gatt ‘anus; achterste deel van een schip; (zeemanstaal) opening’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds gatt ‘opening van smal vaarwater naar een groter vaarwater’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins gatti, katti ‘gat of opening in het dek van een schip; achterkant van een schip; mond van een vaart naar een haven, opening van een zeeëngte of zeestraat, via welke de haven binnengezeild kan worden’ ; Frans dialect gate, gade ‘kneuzing, schaafwond op scheenbeen’; Zuid-Afrikaans-Engels gat ‘anus; (verouderd) poel in rivier, kuil in het landschap’ ; Japans † gatto ‘mangat’; Amerikaans-Engels † gat ‘nauwe doorgang’; Negerhollands gat, gad ‘opening, groeve; anus, achterwerk, kont’; Berbice-Nederlands gati ‘opening’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gat* opening 1236 [CG I1, 23]

gat* anus, achterwerk 1481-1483 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

598. Ergens geen gat in (of door) zien,

d.w.z. geene opening (in de 17de eeuw open), geen uitweg in iets zien; figuurlijk; geene uitkomst in iets zien, geen middel zien om uit de verlegenheid te geraken, om er zich door te helpen; in de 17de eeuw: (den) dag door iets zien; Zuid-Nederland ievers geenen dag (of geen gat) deur zien; fr. ne voir point de jour à une affaire. Vgl. Halma, 149: Ik zie 'er geen gat in, ik zie 'er geen kans toe, je n'y vois pas de jour; Sewel, 231: Ik kan 'er geen gat in zien, I can 't see through it, I know not what to make of it. De zegswijze komt voor bij Sartorius III, 5, 72: Of ick my voor keer of achter, ick sie daer geen gat in; III, 6, 33: Ick sie daer een gat in; hier weet men wech mede; Everaert, 230, 650; De Decker, I, 45: 'k En zie geen ander gat, noch deurkomst in onz' dingen; zie Tuinman I, 247; Harrebomée III, 184 b; Teirl. 446: er geen gat in of deure zien; er geen gat an venden, geen uitweg vinden, een zaak niet verstaan; Antw. Idiot. 327: ievers geenen dag deur zien (vgl. no. 391). Volgens De Bo, 653 zegt men in het Westvlaamsch hiervoor: ergens geen lucht in of door zien en ook er geen land over zien (bl. 606). Bij Wander III, 219: ik seh dár kên Lock dör (Eckart, 332); fr. der gjin gat (of ljocht) in sjen. Vgl. R. Visscher, Sinnep. 2de Schock, 31.

599. Een gat in de lucht slaan.

In scherts wordt dit gezegd, ‘ter aanduiding van een heftig gebaar van verbazing, waarbij men plotseling met de armen in de lucht slaat.’ Zie Tuinman I, 332; W. Leevend VI, 3; Harreb. I, 205 a en Ndl. Wdb. IV, 334. In de 17de eeuw zeide men een gat in den hemel slaan, zooals we o.a. lezen in Hooft's Brieven, 501; Jan Vos, Klucht v. Oene, 247. Bij Brederoo, Symen s. Soeticheit, vs. 29:

Wat hangen daer al dodden ragh!
Maer langhtme daer de raegh-beusem, jae wel, jae wel, dat je hier een reysje sagh,
Je sloeght een gat inden hemel, ick moetme kruyssen en segenen!

600. Hij is voor één gat niet te vangen,

d.w.z. hij is niet gemakkelijk, of wel, in 't geheel niet te vangen; ook hij is voor geen zeven gaten te vangen. Onder gat moet hier volgens het Ndl. Wdb. IV, 337 worden verstaan de opening of mond van een der pijpen of gangen van een hol, waarin dassen, vossen of konijnen zich ophouden. Deze dieren hebben meer dan een uitweg aan hun hol; spant men een net voor het eene gat, dan ontsnappen ze door het andere; de uitdr. is derhalve aan de jacht ontleend; vgl. Sewel, 231: Voor alle gaten is 't kwaad garen (net) hangen. Zij komt voor bij Campen, 93: Hy is voer een gat niet toe vangen; Hooft's Brieven, 188; Coster, 540, vs. 1402; Focq. Typhon, 33, vs. 1: Vrouw Pallas als doorslepen en niet gevangen voor een gat; Sewel, 231; Harreb. I, 205 a. Vgl. ook het Friesch: hy is foar ien gat net to fangen; nd. se is vör ên Gatt nich to fangen (Eckart, 138); fr. souris qui n'a qu'un trou est bientôt prise; hd. es ist eine arme Maus, die nur ein Loch hat; nd. et möste ne arme Mus sin, de dar män een Lak hädde (Jahrb. 38, 160); eng. it's a poor mouse that has but one hole to creep out at. Zie verder Wander III, 537-538Het mnl. die mues die waer een hol en weet ic segge u dat hare sorgeleke steet is te vergelijken met het mlat. mus miser est, antro qui tantum clauditur uno (Werner, 51). Vgl. R. Visscher, Sinnepoppen, 1ste Schock, 58.. Hiernaast Hij is voor dat gat niet te vangen (o.a. Korenbl. II, 110).

601. Iemand het gat van de deur wijzen,

ook wel iemand het vierkante gat wijzen, d.w.z. iemand de deur wijzen, hem verzoeken of gelasten onmiddellijk het huis of de kamer te verlaten; mnl. enen door ende dorpel wisenMnl. Wdb. II, 308.. De uitdr. dateert uit de 16de eeuw; vgl. Campen, bl. 106: Ick wil hem tgat van der doere wysen. Dat het vierkante gat voor deur eveneens in dien tijd voorkwam, bewijst Kiliaen, die vierkant gat vertaalt door spatium ostii, en een plaats uit den Handel der Amoureusheyt I, 53:

Ick wedde dat hy (Aeneas) zal ruymen den stal
En heymelijck kiesen 't vierkante gaetken.

De uitdrukking is thans in geheel Noord- en Zuid-Nederland bekend. Joos citeert bl. 77: iemand het gat van den timmerman wijzen; De Bo, 341: het gat uitgaan of uittrekken, de deur uitgaan; iemand het gat van den timmerman toogen; zie ook Antw. Idiot. 445; Waasch Idiot. 230; Teirl. 446; Schuermans, 138 a en 732 b; Tuinman I, 301 en II, 199; in het fri.: immen it fjouwerkante gat of it gat fen 'e doar wize. Syn. is het Antw. iemand de klink van de deur wijzen. Vgl. het hd. jem. zeigen wo der Zimmermann das Loch gemacht (oder gelassen) hat; einem die Tür weisen.

602. Een gat in den dag (of morgen) slapen,

d.w.z. een goed deel van den morgen slapende doorbrengen en zoodoende zijn dag of morgen verkorten; laat opstaan; 16de eeuw: van tswarte int witte slapen; Kil.: hoogh in den dagh slaepen. Bij Plantijn: Een gat inden dach slapen, dormir la grasse matinee; in multam lucem dormire vel stertere, vel in multam diem. Vgl. verder Huygens, Trijntje Cornelis, 970: 'k Magh ick noôr heuys toe goôn en slôpen e goech gat in desen dagh; Doedyns, Merc. 2, 527.: Zy sliepen dan een gat in den dag dat 'er een hond uit geslobbert zou hebbenZie Ndl. Wdb. III, 2214.; Antonidus II, 285: Terwijl ze een lustig gat in d'achtermiddag ronken; Halma, 149: Een gat in den dag slapen, dormir la grasse matinée; Tuinman I, 304; nal. 17; Harreb. I, 115; Waasch Idiot. 230 a. Met deze zegswijze is te vergelijken het vlaamsche een gat in den nacht zitten, 's avonds laat wegblijven (tot diep in den nacht) en eenen pit of put in den nacht wegblijven; zie Schuermans, 138; De Bo, 904 en vgl. het fri.: in gat yn 'e dei sliepe, in gat yn 'e nacht opsitte.

603. Een gat stoppen,

d.w.z. een tekort aanvullen door het verstrekken der benoodigde gelden; eene schuld dekken; synoniem van het laat-mnl. een deur open doen om een venster te stoppen (zie Ndl. Wdb. III, 2464). Vgl. Winsch. 65: Dat gat is niet te stoppen, dat is, die schulden, die daar gemaakt sijn, die kunnen niet worden betaald. In de 18de eeuw komt de uitdr. voor bij Van Effen, Spect. IX, 213; vgl. ook Halma, 149: Een gat stoppen, eene schuld betaalen, boucher un trou, payer une dette. Vandaar ook: een gat maken om een ander te stoppen of het eene gat met het andere stoppen, eene schuld aangaan om een andere te dekken; Teirl. 446: een gat met een gat stoppen, geld leenen om een schuld te dekken; in het Friesch: it iene gat mei 't oare damje; fr. faire un trou pour en boucher un autre; en met geld kan men veel gaten stoppen, met geld is menig tekort te stoppen; bij uitbreiding: met geld kan men vele moeilijkheden te boven komen, zich uit vele ongelegenheden helpen; zie het Ndl. Wdb. IV, 338; De Bo, 341; Antw. Idiot, 445. In het hd. ein Loch stopfen; eng. to stop a gap; fr. boucher un trou, eene schuld betalen.

605. Hij heeft geen zit in 't gat.

Eene platte uitdrukking voor: hij kan niet lang achtereen stil zitten; ook hij is (of heeft) geen zitgat. Vgl. Lev. B. 130: Ze hebbe op 't laatst heelemaal geen zit meer in d'r achterste. In Zuid-Nederland gee(n) zittende gat hebben; Antw. Idiot. 446; Rutten, 293 a; Teirl. 447; Tuerlinckx, 203; Waasch Idiot. 230 a; Nederd. kên sitten Ers hebbn (Eckart, 100); kenen sittenden Stêrt hebben (Eckart, 502); hd. kein Sitzfleisch haben. In de 17de eeeuw, bij Hooft, Ged. II, 422: Ick heb geen sittende naers; fri. hy het gjin sittend gat, gjin sit ynt gat, gjin sittersflesk; hy het 'e ridel yn 'e kont; hy het in riidgat. (Aanv.) In Tongeren: Zijn gat heet niet zit.

604. Zijn gat aan iemand (of iets) afvegen,

d.w.z. iemand of iets met de diepste minachting geringschatten, er volstrekt niet om geven. Dat gat hier de beteekenis heeft van aarsgat is duidelijk en blijkt bovendien uit het 17de-eeuwsche zijn fondement aan iets vegen; fr. s'en battre les fesses. Volgens Schuermans, Bijv. 119 b zegt men in Braband en elders ook iets aan zijn hemdslip, aan zijne pollevien of zijne versenen vègen; Teirl. 95: an iemand zijn ballen vagen; aan iemand of iets zijn ende vagen (Teirl. 403); 18de eeuw: zijn elleboog aan iets vegen.

In vele platte zegswijzen komt gat in deze beteekenis voor. De meest bekende zijn op zijn gat zitten (- liggen), eigenlijk van iemand, die onzacht neergevallen en nog niet opgestaan is; figuurlijk in toepassing op onstoffelijke zaken, inzonderheid bedrijven, takken van nijverheid, enz., die als 't ware ternederliggen, in kwijnenden toestand verkeeren, of wel op ondernemingen, die mislukt zijn en niet doorgezet worden (bij Schuermans 138 b en 832 b: de handel ligt op zijn vod (of zijn gat); fr. être à cul; hd. auf dem Arsche liegen; zie ook Teirl. 446; Antw. Idiot. 446; Winsch. 64; Halma, 149); vgl. Boekenoogen, 671; het Friesch: it ding of de merk sit op 't gat. - Iemand het gat (de kont of de hielen) likken, hem op walgelijke, lage wijze vleien en naar den mond praten; hem gatlikken (Halma, 150); syn. van iemand zijn naars uittikken (in Sjof. 169) of iemand de hielen likken (in Nkr. VII, 19 April, p. 2; IV, 22 Mei, p. 4; 10 April, p. 4); fr. baiser, lécher le cul à qqn; hd. einem den Hintern lecken, in den Hintern kriechenVgl. het Lat. lingere culum (Schrader, 294).; vandaar een gatlikker, lage vleier (o.a. Halma, 150; Kalv. I, 129) of kontlikker (in Mgdh. 140) naast een hielelikker (o.a. Kent. 40; 61); lik mijn gat (mij de maars), loop, stik! iemand achter het gat loopen (zuidndl. ook achter iemands sleppen loopen), hem altijd achterna loopen, hem overal gedienstig volgen, met minachting gezegd: iemand in het gat kruipen, hem op slaafsche, kruipende wijze vleien en dienen (bij Teirl. 447: gatkruipere; Schuermans, 832 b: iemand in zijne vot kruipen; zie ook Antw. Idiot. 446: iemand in zij(n) gat kruipen, hem moeten te voet vallen; en Halma, 149); iets aan zijn gat, broek, been hebben (Teirl. 108); iemand iets aan zijn gat, kont, broek, been zetten, lappen, draaien, smeren (hem) benadeelen door hem iets te duur te doen koopen of door hem een spel te doen verliezen; zie no. 18; Ndl. Wdb. III, 1468; Teirl. 447); iemand een voet onder het gat geven, hem een schop voor het achterste geven, t.w. om hem weg te jagen; figuurlijk hem wegjagen, de deur uitzetten (fr. donner du pied au cul à qqn.); iets voor het gat schoppen, - slaan, of lappen (Winsch. 65); ook iets een klap voor 't gat geven, het slordig, achteloos behandelen, het slordig en met overijling afwerken, afroffelen; zie Molema 519: tegen 't gad anschuppen en vgl. fr. fesser qqch.; geen nagel hebben om zijn gat te krabben (krappen, schrepen), doodarm zijn (Campen, 83: hy en heft niet een naghel den eers mede te clouwen; zie V. Lummel, 255; Harreb. I, 206; Ndl. Wdb. IX, 1492; Teirl. 447). Verder: zijn gat ergens indraaien, zich van een plaats meester maken; een goede betrekking krijgen; een rijke vrouw trouwen; je kunt er wel met je gat op naar Keulen rijden, in scherts, ter aanduiding eener hooge mate van botheid van een mes. Die zijn gat brandt, moet op de blaren zitten, die eene fout of misslag begaat, moet voor de gevolgen boeten (sedert de 17de eeuw bekend, o.a. Bred. I, 237). Zijn gat vol schulden hebben, met zijn gat in de schuld zitten, diep in schulden steken (ook Teirl. 447), waarvoor men ook zegt zijn huid of zijn bast vol schulden hebben; zijn gat vol zuipen, zich zat drinken, zich dronken drinken of bezuipen; vgl. Halma, 149: zijn gat vol zuipen, se souler, s'enivrer. Zie het Ndl. Wdb. IV, 343-344, waar deze en nog andere thans minder gebruikelijke zegswijzen zijn vermeld en verklaard. Voor soortgelijke uitdrukkingen in Zuid-Nederland zie o.a. Teirlinck i.v. bal, borze, broek, kloot en dergelijke.

980. Iemand de (of van de) huig lichten,

d.i. iemand de huig door aanraking met zout of peper doen inkrimpen of ook door het hoofd geweldig heen en weer te schuddenHet eigenlijke lichten geschiedt door iemand een enkel haartje uit de kruin van het hoofd te trekken; dat moet dan, volgens 't volksgeloof, juist het middelste haartje van 't hoofd zijn, anders baat het niet. En dit haartrekken is het eigenlijke lichten, oplichten van de huig. Immers men meent dat de huig, binnen door 't hoofd heen, juist aan dit haartje verbonden is; zie W. Dijkstra II, 263; Volkskunde XXI, 113.; fri. immen fen 'e hûch lichten; in Zuid-Nederland iemand den huik brekenSchuermans, 197 b; Antw. Idiot, 583.; bij overdracht iemand op bedriegelijke wijze het zijne afhandig maken; op zaken toegepast: ze ledigen. De uitdr. is in de 17de eeuw zeer gewoon. Bij Sartorius III, 1, 65 lezen wij: de huych is hem al gelicht, humi haurit; zie verder Tuinman I, 184: hy is van den huig gelicht, de geldzak is hem ontfutzelt, zijn ponk (fri. ponge) is gekaapt; Halma, 230: iemand van de huich lichten, hem doorstrijken, bedriegen, knappenBed. Huish. 32: Laat ons een boetelje zamen van de huig lichten, een fleschje knappen. of betrekken; C. Wildsch. III, 287: Een fijne knevel, die niet ligt van den huig zoude te ligten zijn; V. Janus, III, 66; Ndl. Wdb. VI, 1220. De oorspr. bet. schijnt te zijn: iemand pijnlijk aandoen (vgl. no. 65) en vandaar hem van zijn geld berooven, hem snijden, hem bedriegen (vooral in geldzaken). Men zou dit kunnen opmaken uit de synoniemen: iemand een gat in den neus boren (Winschooten, 4; ook in Antw.); iemand van de kei (of van den steen) snijden (Sewel en Halma) en iemand lubben (Halma, 328), iemand snuiten, iemand een kies trekken (Sewel), iemand een tand, een kaaktand lichten, lossen, trekken (Schuerm. 710; De Bo, 476; 1132); iemand een hak zetten, die alle iemand bedriegen, afzetten beteekenen. Ook in het Oostfri. de hûk ligten, jemand betrügen und ihn rein ausziehen; Eckart, 221: en de Hûke lichten; zie ook Draaijer, 117. Dat men later zeide ‘iemand van de huig lichten’ kan hieraan zijn toe te schrijven, dat men tevens dacht aan ‘iemand van iets berooven’Zie voor dergelijke gevallen van contaminatie Noord en Zuid XX, 417 vlgg..

606. Iemand (of iets) in de gaten hebben (of krijgen),

d.w.z. iemand in het oog hebben, op hem scherp acht geven, met zijne gedragingen en bedoelingen bekend zijn (o.a. Dievenp. 27; 36; Boefje, 22; Falkl. IV, 88). Onder gaten kan men hier verstaan de gaten in het standvizier van een vuurwapen (Ndl. Wdb. IV, 337), doch liever de oogen, de kijkgaten; vgl. de uitdr. kijk uit je gaten, uit je oogen, je doppen (Jord. 66); het loopt in de gaten (o.a. Dsch. 159), de aandacht wordt er op gevestigd; ook pass. ik ben in de gaten geloopen (Nkr. IV, 17 Juli, p. 3); het Antw. de gaten uit zijn, uit het oog verdwenen (ook Waasch Idiot. 230). Synonieme zegswijzen zijn: iemand in de ramen hebben (Jong, 173; Ppl. 12; Dievenp. 164; Köster Henke, 32), in 't appeltje (oogappel) hebben; ook iemand in de loer hebben (Gunnink, 164; Ndl. Wdb. VIII, 2564); in de buis, verrekijker (Ndl. Wdb. III, 1767; Schuermans, 84 a; Waasch Idiot. 149); lang uw oogen uit en kijk uit uw putten (oogholten; Waasch Idiot. 540); op 't schut, in 't vizier hebben (Tuinman I, 188); in 't schot hebben (Köster Henke, 60); in den kijker(d) hebben (zie Mghd. 140) naast het liep in den kijkerd, het viel op (Boefje, 162), in den snuf hebben (Schuermans, 643 b), in de snuif hebben, iem. snuiven (o.a. Jord. 42), in 't snotje (neus, o.a. M. de Br. 118), in den neus hebben; in de lamp hebben (in Twee W.B. 99; Opr. Haarl. Cour. 14 Aug. 1922, p. 2), in de lampies hebben (in Menschenw. 165; vgl. eng. lamps, oogen); in de mot hebben (Ganderheyden, 10; Molema, 127 b; Fri. Wdb. II, 148; V.d. Water, 109; Schuermans, 393; Joos, 85; 105; Hoeufft, 396; Taalk. Magazijn I, 319 en Harrebomée II, 105 b); in de smiezen hebben (o.a. Ppl. 64; Leersch. 94; Landl. 58; 140; 160; Boefje, 59; 99; 168; Dievenp. 10); in de smiezen loopen (Handelsblad 21 Dec. 1914 (A), p. 5 k. 3); in de kieren hebben of krijgen, waarin kier wel de beteekenis zal hebben van oogspleet d.i. dus oog (Boekenoogen, 421; Köster Henke, 32); in de spiezen krijgen (Boekenoogen, 975; Lvl. 36); in de spiezen hebben (in Groot-Nederland, 1914 (Oct.), bl. 455; Schakels, 121); in de doppen hebben (zie no. 474); in de linken krijgen (Zandstr. 32; Landl. 115); in de glimmeriken hebben (Köster Henke, 22; Amst. 91); in de venesiaander hebben (Prol. 11); in het Friesch: ik hab him yn 'e lampe of yn 'e mik, 'e gaten; 'e smiezen, 'e loer. (Aanv.) Ook In de smiezen (of smoezen) hebben; Opprel, 83: smoeze, begrijpen, vatten; iemand in de smoezen hebben of krijgen, hem begrijpen, weten waar hij heen wil.

1014. Jangat,

d.w.z. een dom, onhandig manspersoon, een sukkel; in het Friesch een Janhen, een bemoeial. Dit scheldwoord zal wel naar analogie van hondsvot, hondsklinck, hondskonte en dergelijke gevormd zijn, die oorspronkelijk van vrouwen gezegd, later ook gebruikt werden voor verwijfde mannen; vgl. fri. janefot, jangat, sukkel; fr. Jean-fesse; hd. Hans Arsch.De naam Jan, evenals in het Eng. John, is hier, zooals in vele der volgende benamingen genomen als de meest gebruikelijke en daardoor minst sprekende, de meest kleurlooze; zie Taal en Letteren I, 57; II, 107. Welke scheldnamen men in de 17de eeuw al zoo had, blijkt uit A.B. Delfs Cupidoos Schighje (anno 1652), bl. 118, waar eene vrouw haren echt-vriend uitscheldt voor:

Jan Zaggelaar,
Jan Frik, Jan Gort, Jan Freunick-vaar,
Jan kongterse, Jan hen, Jan zul,
Jan zotte-bol, Jan droogh-kloot,
Jan oly-koek, Jan koome-lul,
Jan plomp, Jan gat, Jan droog-broot,
Jan bedil-al, Oly-bok, Jan zaly, Frik in 't veurhuis,
Propdarm, aschbeer, logge Jan,
Hongs-klink, pakbier, veech-de-kan,
Jan kitte bruir, Jan even-zuir,
Jan zoete-kaauw, Jan tuureluir,
Dat 's op zijn Paasch-daags noch ezeit,
Dat zijn heur beste tarmen!

Zie verder Ruelens, Refr. I, 93-95; Te Winkel, Geschichte der Niederl. Sprache, 897; Molema, 129 b: jan-gat, vergeetachtige sul; Ndl. Wdb. VII, 197-198; vgl. ook Jan Kiezer, Jan Proleet, Jan Student en verder voor vele benamingen Ndl. Wdb. VII, 184 vlgg.; Boekenoogen, 376; Harreb. I, LXXII; 353 vlgg.; De Cock2, 142; Noord en Zuid XXIX, 108 vlgg.

1405. Uit de lijken geslagen zijn,

d.w.z. bedremmeld, geheel verslagen zijn, uit de ‘naven’ zijn. De uitdr. is ontleend aan het zeewezen. Onder de lijken verstaat men het touw, dat als omlijsting, als rand om de zeilen van een schip of een molen vastgenaaid wordt en dat dient om het uitscheuren te voorkomen. In letterlijken zin is dus uit de lijken geslagen, uit den rand gescheurd, van zijne plaats gerukt, dat overdrachtelijk kon beteekenen onklaar zijn (Winschooten, 139), ontzet, in de war zijn. Vgl. ook Colm, Malle Tots boertige vryery, anno 1617, 13: Gutt dat's verpeutert werk, dits hiel nou uyt 'e lyck, hier 's weer gien samen knoopen. Zie verder Gew. Weeuw. III, 7: Ze is gansch uyt de lyken gearbeid; De Brune, Bank. 146: Uyt de lijck geslagen; I, 264: Uyt de lyck geworpen; Sewel, 468: Uit de lyken geslagen, blown out of the boltrope; quashed, routed; Tuinman I, 151: Hy is uit de lyk geslagen, dat is, hy is geheel in de war, en in onmagt gebragt; Harrebomée II, 29; 32: Hij valt uit de lijken; Het Volk, 18 Sept. 1915, p. 1, k. 3: Zij wisten eenmaal beter, maar zijn sinds geruimen tijd dermate uit de lijken geslagen, dat zij met elken wind mee strijden. Synoniem zijn de Zuidnederlandsche uitdrukkingen uit de zwee zijn, uit zijn lood zijn, van zijn berdeken zijn, uit den haak zijn, verbabbereerd (ons verbauwereerd), beteuterd zijn (eng. off the hooks, off the hinges; fr. hors des gonds (van woede)), ontknierd, ontzet, verstoord, verward; vgl. ook nog de uitdr. zijn gat uit de haken loopen, waarvoor men in het stadsfriesch zegt de hakken uut de liken loopen; zie Taalgids III, 285 en Ndl. Wdb. V, 1356; 1357; VIII, 2298; in het Friesch: dat rint út 'e liken, dat loopt verkeerd; van iemand die zich overwerkt heeft, die overspannen is, zegt men eveneens dat hij út 'e liken is (Fri. Wdb. II, 221).

1621. Iemand (een gat of een rietje) door den neus boren,

d.w.z. bedriegen, afzetten; oorspr. gezegd van een dier, dat een ring door den neus krijgt; en vandaar in het algemeen iemand pijnlijk aandoen, hem te pakken hebben, beetnemenVgl. voor dezen overgang o.a. Claes, 293: Iemand scheren zonder zeep, hem listig, heimelijk bedriegen; en verder no. 980., bedriegen (in dezen zin in de 17de eeuw ook iemand boren), snijden, afzetten; thans ook iemand iets (geld, loon) onthouden, waarop hij recht heeft. De uitdr. komt sedert de 17de eeuw voor. Vgl. Winschooten, 4: Iemand met een Avegaar door de neus booren: iemand groovelijk bedriegen; Cats II, 171 b: Sy boord' hem door den neus, hoe seer hy was geslepenAangehaald in Ndl. Wdb. III, 543.; Westerbaen II, 268; W.v. Geck, 81; Tengnagel, Frick, 8: De luy zijn langer soo sot niet, dat s'er neus met ien avegaer laten deur-boren; Pluckvogel, 227: Sy heeft hem met een korte reden lustig door den neus geboort; K.U.E. 46; Kluchtspel III, 266: Zy zullen Anselmus met zijn weeten geen gat door de neus booren; Sewel, 520: Iemand iets door de neus booren, to cheat one of a thing; Halma, 86; Handelsblad, 29 Maart 1918 (O), p. 5 k. 5: Dat was een geleerde snuiter; die zou je geen rietje door z'n neus boren. Hiernaast iemand iets door den of uit den neus boren, iemand iets ontfutselen (Winschooten, 32); V. Avant. 277: Onze keukenmeid is mij daar door voorgekomen om my dat voordeeltje uit de neus te boren; Halma, 380: Iemand iets door den neus booren of ontfutzelen; Gallée, 6: iemand iets ût den nöze boren, door list doen verliezen; in de Hollandsche volkstaal: dat is je door je neus geboord, dat is je ontgaan (Ndl. Wdb. III, 544; Jord. II, 392); Nav. XVII, 150: iemand iets in den neus boren; Het Volk, 3 Oct. 1913, p. 5 kol. 1: Achttien vakantiedagen worden hem door den neus geboord. 't Is schande; Dsch. 160: As mijn baas mijn 'n gulde door de neus ken hale, dan doet-ie 't; Landl. 178: En dan de premie, die hun in deze armzalige tijden door den neus was geboord; J. Feith, Uit Piet's Vlegeljaren bl. 194: Die Braks had hem den laatsten dans met Hetty door den neus geboord, en dat kon hij hem niet zoo makkelijk vergeven3de druk, Amsterdam, Scheltens en Giltay.; Nw. School, II, 259: De taalkundige man met de schraperigheid van een vrek er steeds op lettende of hem bij zijn lidwoord geen ‘ennetje’ door den neus geboord werd; Handelsblad, 27 Mei 1917, p. 7 k. 1 (O); Haagsche Post, 2 Febr. 1918, p. 131, k. 3; enz. In West-Friesland beteekent iemand door den neus boren, iemand een geheim ontlokken (De Vries, 85; vgl. fr. tirer les vers du nez à qqn.?). Ook in Zuid-Nederland kent men 't Is deur den neus geboord of 't verken is deur den neus geboord, doch in den zin van: het is te voren heimelijk beraamd of beslist (Antw. Idiot. 853; Schuermans, 407; Claes, 159); deur den neus of de neuze (geboord) zijn, een beetje dronken zijn (Waasch Idiot. 457; De Bo, 738; Antw. Idiot. 853), syn. van 'nen steek deur den neus hebben (vgl. fr. se piquer le nez, zich bedrinken), waarvoor wij zeggen een snee in den neus hebbenNederland (Aug) 1914, p. 380: Maar vroeger dronk-i nog al 'n glaasje - en dan kwam-i nog al 's met 'n klein sneedje in z'n neus thuis. of een scheet in den neus hebben (zie Ndl. Wdb. XIV, 350), syn. van een snip in 't oor hebben (Molema, 564). Bij Rutten, 153 wordt hij is (wel drijmaal) door den neus geboord opgegeven in den zin van: hij is zeer slim. Ook het Engelsch kende to bore through the nose, afzetten, in den nek zienTaal en Letteren XIV, 469..

1879. Praatjes vullen geen gaatjes,

d.w.z. woorden helpen niet, waar men daden moet zien; hetzelfde als het lat. non replenda est curia verbis (Journal, 28); bij Campen, 5: callinge is mallinghe, doen is een dinck; zie ook aldaar: schoone woorden en vullen ghienen sack; Goedthals, 135: veel woorden en vullen den sack niet; Prov. Comm. 783: veel woerden en vullen ghenen budel (zie Bebel no. 248); schoon woorden en ghelden geen gelt (H. de Luyere, 19); Idinau, 59: de woorden en vullen den sack niet; Winschooten, 162: woorden vullen geen sak; V.d. Venne, Holl. Sinne-droom, 18: Een schoone praet en vult geen sack; H. Doolh. 25: Nu wat zal ik noch veel seggen, woorden vullen doch geen sak; Adagia, 55: schoone woorden en vullen den sack niet, peculium re non verbis augetur; ook vindt men: praatjes vullen den buik niet (K.U.E. 223); zie Harrebomée I, 103 a; II, 482 a; III, 364 b; Schuermans, 504 a; Joos, 135; Antw. Idiot. 657; Menschenw. 532: Proatjes legt d'r gain aiers. Eerst in de 18de eeuw wordt in de klucht van het Leydze Bier-huys (1758), bl. 25 aangetroffen: ‘Dat zyn maar praatjes, en dat vult by my geen zakken noch geen uitgehaalde gaatjes’; doch Sewel kent nog alleen praatjes vullen geen zakken, words are no deeds. Vermoedelijk heeft terwille van het rijm de spreekwijze den tegenwoordigen vorm aangenomen. Zie Molema, 336 b; fri.: wirden folle gjin sekken of lûd sprekken folt gjin sekken; afrik. praatjies vul nie gaatjies nie en vgl. Zooals het reilt en zeilt . Synoniem is het Zuidnederlandsche woorden zijn geen oorden (Schuerm. 872 a; Joos, 185) en klappen of praten zijn geen oorden (Rutten, 113 a; De Cock1, 302; Antw. Idiot. 996; Schuerm. Bijv. 251 a). In het hd. grosze Worte machen den Sack nicht voll (Wander V, 427); voor 't nd. zie Taalgids V, 166; eng. empty words don't fill the pocket. (Aanv.) Syn. Lullen is geen visch.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut