Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gasthuis - (ziekenhuis)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gasthuis zn. ‘ziekenhuis’
Mnl. gasthuse (verbogen vorm) ‘(aan het) liefdadig gesticht’ [1254; CG I, 64], int gasthuus der armen ‘in het opvanghuis voor armen’ [1266; CG I, 98], ten gasthuuse ‘naar het huis ter verpleging van vreemdelingen, het ziekenhuis’ [1390-1410; MNW-R], dat grote hospitael ofte gasthuus van sinte janne ‘het grote hospitaal of ziekenhuis van Sint-Jan’ [1462; MNW-P], daer na leyde hijse int gastenhuus ende si vonden die tafelen ghedect ‘daarna bracht hij ze naar het huis voor ontvangst van vreemdelingen en daar stonden de tafels gedekt’ [1479-1517; MNW-P].
Samenstelling uit → gast in de betekenis ‘vreemdeling, gast’ en → huis, wrsch. als vertaling van middeleeuws Latijn hospitale ‘huis voor ontvangst van vreemdelingen, gasthuis’, zie → hospitaal.
Mnd. gasthūs, ohd. gasthūs (mhd. gasthus, nhd. Gasthaus), oe. gæsthus.
De oorspronkelijke betekenis ‘huis voor de ontvangst van vreemdelingen’ was reeds in de 17e eeuw verouderd. Daarna had gasthuis alleen nog de betekenis ‘godshuis, liefdadig gesticht’ en de nu enig overgebleven betekenis ‘ziekenhuis’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

gastehuis s.nw.
Keurige blyplek wat aan 'n beperkte aantal betalende gaste verblyf met 'n intieme, huislike atmosfeer bied.
Uit gas (2gas) en huis, as leenvertaling van Eng. guest house (1925). In Ndl. kom gasthuis wel voor, maar in die verouderde bet. 'liefdadigheidsinrigting vir die huisvesting en versorging van ou mense' of 'hospitaal'.
D. Gasthaus.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1474. Mank gaan,

d.w.z. gebrekkig, kreupel gaan, hinken, dus niet goed gaan; ook in overdrachtelijken zin gebrekkig zijn, evenals het lat. claudicare; fr. clocher; hd. hinken; eng. to halt, in de uitdr. die vergelijking, dat bewijs gaat mank, is gebrekkig, niet juist. Vgl. Hooft, Ned. Hist. 938: O hinkende gelykenis; 300: Hoewel de verweernis groflyk hinkte; Halma, 337: Een mank of gebrekkelijk bewijs; die gelijkenis, bewijsreden gaat mank. Vandaar bij uitbreiding aan iets mank gaan, gebrekkig zijn ten opzichte van iets, aan een euvel lijden (18de eeuw), aan hetzelfde euvel mank gaan, met hetzelfde zedelijk gebrek behept zijn, syn. van in ' t zelfde gasthuis ziek liggen (Halma, 808) en aan hetzelfde been mank gaan, met hetzelfde sop overgoten zijn (Joos, 77). Zie Ndl. Wdb. IX, 209; Villiers, 78.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut