Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gast - (bezoeker)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gast zn. ‘bezoeker’
Mnl. gast ‘vreemdeling’ [1236; CG I, 27], ‘gast, bezoeker die door iemand gehuisvest en/of gevoed wordt’ [1240; Bern.] ‘booswicht, kerel’ [1263-1270; CG II, Lut.K]; ‘betalende bezoeker, klant (in een herberg)’ [1285; CG II, Rijmb.] ‘vijandelijke bezoeker, vijand’ [1287; CG II, Nat.Bl.D]; ‘een persoon die bij iemand op bezoek gaat’ [1292; MNW-P] ‘manspersoon’ [1350; MNW]; vnnl. gast ‘kerel, vent’ in die slimme gast [1632; WNT], gast ‘iemand die op bezoek komt om te eten en daarbij welkom is’ [1688; WNT]; nnl. gas(t)je ‘olijk kind, rakker’ in als de jonge gasjes dat horen [1785; WNT].
Os. gast ‘vreemdeling’ (mnd. gast ‘id.’); ohd. gast ‘id.’ (mhd. gast ‘vreemdeling, krijger’; nhd. Gast ‘bezoeker’); ofri. jest (nfri. gast < Nederlands); oe. giest, gest (ne. guest < on.); on. gestr (nzw. gäst); got. gasts; < pgm. *gasti-. De Germaanse i-stam waar deze wortel op teruggaat, is terug te vinden in enkele Germaanse persoonsnamen in runeninscripties: HlewagastiR en SaligastiR.
Verwant met Latijn hostis ‘vreemdeling, vijand’; Oudkerkslavisch gostĭ ‘gast’; < pie. *ghosti-. Dat is misschien een afleiding met ablaut van de wortel pie. *ghes- ‘eten’, dat alleen in het Indo-Iraans is gerepresenteerd, bijv. Sanskrit ghas- ‘eten’. De oorspr. betekenis zou dan ‘mee-eter, vreemdeling’ zijn geweest.
In het oude Rome werd de vreemdeling als vijand beschouwd, maar deze werd in bijzondere gevallen (kooplieden, gezanten) in bescherming genomen door een hospes (< *hosti-potis, zie → hospes) ‘heer van de vreemdeling’, dan ‘gastvriend’. Bij de Germanen, van wie Tacitus en Caesar al de grote gastvrijheid vermelden, ontwikkelde zich het begrip ‘gast, gastvriend’. Ook door ontwikkelingen in het burgerdom, de intensivering van het handelswezen en de ontwikkeling van het herbergwezen, verschoof in de Germaanse talen de betekenis van ‘vreemdeling’ naar ‘bezoeker’ in de positieve zin. Zie ook → hotel, → hospita, → hospitaal.
gastarbeider zn. ‘buitenlandse arbeider’. Nnl. gastarbeider [1964; WNT Aanv.]. Een wrsch. door het Algemeen Nederlands Persbureau geïntroduceerde leenvertaling van Duits Gastarbeiter, een eufemistische vervanging van Fremdarbeiter, zoals de Turkse arbeiders die aan het begin van de jaren 1960 in Duitsland kwamen werken, werden genoemd. ♦ gastvrij bn. ‘gul en mild voor gasten’. Vnnl. gastvrij [1542; Claes 1996]. Leenvertaling van Hoogduits gastfrei [16e eeuw], zo ook Deens gæstfri, Zweeds gästfri, Noors gjestfri. Samenstelling van gast en frei ‘vrij’, zoals ook Latijn līberālis in de betekenis ‘gul’ een afleiding is van līber ‘vrij’.
Lit.: Philippa 1987

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gast1* [bezoeker] {1236 in de betekenis ‘vreemdeling, gast, gastheer, vijand’} oudsaksisch, oudhoogduits gast, oudfries jest, oudengels giest, oudnoors gestr, gotisch gasts [vreemdeling, gast]; buiten het germ. latijn hostis [vreemdeling, vijand], hospes [gastheer], oudkerkslavisch gostĭ [gast].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

gast

Het woord gast is van zeer oude familie. In het Sanskriet, de oudste Indo-Europese taal die wij kennen, bestond een werkwoord ghas dat eten betekende. Een gast is dus een eter en in het bijzonder iemand die aan de dis aanzit zonder tot de familie te behoren, een vreemdeling dus. Deze betekenis heeft gast nog in de samenstelling gasthuis dat oorspronkelijk een tehuis was ter verpleging van vreemdelingen en pas in de 17e eeuw ziekenhuis ging betekenen. Thans gebruikt men het woord gast in de zin van: iemand die men aan zijn tafel nodigt om hem feestelijk te onthalen. De oude betekenis van eter is hier nog duidelijk aanwezig, wat niet het geval is in zegswijzen als: een ruwe gast. Daarmee bedoelen wij alleen: manspersoon, kerel. Duidelijk komen de verschillende betekenissen uit in de samenstellingen badgast en kermisgast, twee heel verschillende mensentypen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gast znw. m. mnl. gast ‘vreemdeling, gast’ os. ohd. gast, oe. giest, on. gestr (> ne. guest), got. gasts ‘vreemdeling, gast’. — lat. hostis ‘vreemdeling, vijand’, osl. gostĭ ‘gast’ (IEW 453).

De vreemdeling werd aanvankelijk als vijand beschouwd, maar kon in bijzondere gevallen (men denke aan de kooplieden en gezanten) in bescherming genomen worden en wel in Rome door de hospes (< *hosti-potis) eig. ‘heer van de vreemdeling’ > ‘gastvriend’. Bij de Germanen, van wie Tacitus en Caesar reeds de grote gastvrijheid vermelden, ontwikkelde zich regelmatig het begrip ‘gast, gastvriend’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gast znw., mnl. gast m. “vreemdeling, gast”. = ohd. (nhd.) os. gast, ags. giest, on. gestr (waaruit eng. guest), got. gasts m. “vreemdeling” resp. “gast”. Uit idg. *ghosti-, waarop ook lat. hostis “vreemdeling, vijand” (“gast” in hospes > *hosti-poti-s “gast-heer”) teruggaat, wsch. ook obg. gostĭ “gast”, dat echter ook uit ’t Germ. kan komen. Verwantschap met gr. xénos (*ghs-enwo-s) “vreemde, gastvriend” en alb. huai (*ghs-ên-) “vreemd” is zeer onzeker.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

gast. Ook ofri. jest m. ‘gast’. De bet. ‘vijand’, die in het Mnl. Mhd. en Ags. (hier vooral in poëzie) voorkomt, is evenals lat. hostis een jongere ontw. van de bet. ‘vreemdeling’. Vgl. Fr. Schroeder ZsfdPh. 56, 385 vlgg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gast 2 m. (vreemdeling), Mnl. id., Os. id. + Ohd. id. (Mhd. en Nhd. id.), Ags. giest, On. gestr (Zw. gäst, De. gjest), Go. gasts + Lat. hostis = vreemdeling, openbare vijand, hospes = waard (d.i. *hosti-potis = gastmeester), Osl. gostĭ (Ru. , Bulg., Se. gost, Po. gosc) = gast, Lett. goste = gastmaal, misschien ook Alb. huai (*ghs-en-) en Gr. xénos (*ghs-enṷos). Eng. guest is uit Skand.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

gas (zn.) bezoeker; Vreugmiddelnederlands gast <1236>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

gest, zn. mv.: volk op een hoeve, gezin en personeel. Meervoud van gast, vgl. D. Gäste.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2gas s.nw.
Iemand wat, gewoonlik op uitnodiging, onthaal, getrakteer of gehuisves word.
Uit Ndl. gast (al Mnl.). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Eng. guest, Hoogduits Gast.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

gas I: “besoeker”; Ndl. gast (Mnl. gast, “besoeker, vreemdeling”), Hd. gast, Eng. guest, hou verb. m. Lat. hostis, “vreemdeling; vyand” – bet. afh. v. houding teenoor vreemdeling.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Gast, van ’t Voorgerm. ghostis = vreemdeling. Kenschetsend voor den volksaard is, dat bij de Germanen een gast de hoogste rechten verkreeg, terwijl de Romeinen aan hun hostis (’t zelfde Idg. woord) de bet. van vijand gaven.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gast ‘bezoeker; man; matroos’ -> Deens gast ‘matroos’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors gast ‘varensgezel, matroos’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds gast ‘bemanningslid op schip’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins kesti ‘bezoeker, een zich in het land bevindende buitenlandse (koopman); huurder’ ; Frans dialect gas ‘feestelijk; feestmaal’; Negerhollands gast ‘bezoeker’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gast* bezoeker 1236 [CG I1, 27]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

597. Ongenoode gasten zet men buiten de deur

of zooals men in de middeleeuwen zeide die onghebeden te hove comt sit achter die dore, retro sedet ianuam non invitatus ad aulam; assideat ianuae non invitatus honeste (Prov. Comm. 268; Goedthals, 78); De Brune, 12:

Die komt te gaste onghenoot
Zie toe, datm' hem niet uyt en stoot.

Tuinman II, 34: Die ongenood ten hove komt, zit achter de deur; Sewel, 230: Ongenoodigde gasten zet men agter de deur, those that come to an entertainment without being invited, deserve to be baulk'd; Harreb. I, 129 a; III, 158 b; fri. ongenoege gasten set men by de doar; Wander I, 1352: Ungebetene Gäste setzt man hinter den Feuerherd; 1353: ungeladene Gäste gehören nicht zum Feste; ungeladene Gäste gehören hinter die Tür, unter den Tisch; ungebetener Gast findet keinen Stuhl, enz.; Eckart, 138: ungebbëene Gäste stellt man hinder de Dör; ungebädne Gäst' sett 't man unner 'n Hönerwîm; eng. come uncalled and find no chair (or no hearing).

2505. Zooals de waard is, vertrouwt hij zijne gasten,

d.w.z. men beoordeelt een ander dikwijls naar zich zelven; in ongunstigen zin gebruikt van iemand die anderen wantrouwt of slechte dingen van anderen vermoedt. Zie mlat. estimat esse capre vicium quod scit caper in se; Huygens, Sneldichten: Soo de waerd is, soo verleent hem God sijn gasten; W. Leevend VIII, 199: Zo als de waard is, betrouwt hy zyne gasten; VI, 279: Gelyk de waard is, vertrouwt hy zyn gasten, en die erg ziet, heeft erg in 't hart; Tuinman I, 359: Gelijk de waard is, betrouwt hy zyn gasten; Sewel, 931: Zo de waard is vertrouwt hy zyne gasten, one judges of others according to his own temper. Zie verder Harreb. I, 203 b; Taalgids V, 188; Ndl. Wdb. IV, 317; II, 2255 en vgl. Antw. Idiot. 387; Joos, 135; Waasch Idiot. 196 a; Schuermans, 110: gelijk de duivel is, zoo betrouwt hij zijne gasten; bl. 369: gelijk de meester is, zoo betrouwt hij zijne gasten; fri. sa as e waerd is fortrout er syn gasten.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal