Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gard - (roe, stok; oude lengtemaat; keukengerei)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gard(e) zn. ‘roe, stok; oude lengtemaat; keukengerei’
Onl. gerda [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. ix. gherden lants ‘9 roeden land’ [1280-87; CG I, 505], ander halue garde breet ‘anderhalve roede breed’ [1280-87; CG I, 507], ghard, ghaerden ‘takken, twijgen’ [1290; CG II, En.Cod.], Scuwet den prekel van dies viants garde ‘schuwt de prikkel van des duivels roede’ [1390-1410; MNW-R], drie gaerden ‘drie takken, rijsjes’ [1450-1500; MNW-P]; nnl. honderd gaerden of roeden ‘honderd lengtematen’ (= 375 meter) [1765; WNT], roerende met eene garde ‘... klopper’ [1910; WNT zacht].
In dit woord zijn twee woorden samengevallen: onl. gerda en het niet geattesteerde *gard, beide horend bij dezelfde Germaanse stam met oorspr. betekenis ‘tak, stok’. In het Middelnederlands kon een korte e voor r + dentaal veranderen in korte of lange a, zie → hart en → haard.
Mnd. gart ‘tak, roede, prikkel’; ohd. gart ‘prikkel’; on. gaddr ‘prikkel’ (> me. gad ‘prikkel’, ne. goad ‘id.’); got. gazds ‘prikkel’; pgm. *gazda-. Bij onl. gerda horen: os. gerdia ‘twijg, roede’; ohd. gardea, gerda ‘id.’ (nhd. Gerte ‘twijg, gard, roede’); ofri. jerde ‘stok, roede (lengtemaat)’; oe. gerd, gierd ‘id.’ (ne. yard ‘ra, lengtemaat’); on. gedda ‘snoek, lang dier’; < de afleiding pgm. *gazd-ijō-.
Verwant met Latijn hasta ‘stang, lans’; Iers gat ‘wilgentwijgje’ en Middeliers gass ‘takje’ (< ghas-t- ?); < pie. hasdho-, hastā (PIE 412).
De garde of roede was ook een lengtemaat, die sterk kon verschillen: de Amsterdamse (uit het citaat) was 3,75 meter. De betekenis ‘klopper, keukengerei’ is pas 20e-eeuws, terwijl de eerdere betekenissen inmiddels verouderd zijn.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gard*, garde [strafwerktuig, roe] {oudnederlands gerda 901-1000, middelnederlands ga(e)rde, ge(e)rde [tak, twijg, stok, roede]} oudsaksisch gerdia, oudhoogduits gartea (hoogduits Gerte), oudfries jerde; buiten het germ. latijn hasta [staf, stang, lans], middeliers gat [wilgentwijg].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gard znw. v., mnl. gaerde, gheerde ‘tak, roede’ en gaert ‘prikkel, roede’, onfrank. gerda, os. gerdia, ohd. gardea, gerta (nhd. gerte), ofri. jerde, oe. gierd ‘roede (als maat)’ < germ. *gazðiō(n), waarnaast *gazða in mnd. gart m. ‘tak, roede, prikkel’, ohd. gart ‘prikkel’, on. gaddr, got. gazds ‘prikkel’. — lat. hasta ‘speer’, miers gat (< *ghazdh) ‘wilgentwijg’, gass (< *ghasto) ‘kiem’, tris-gataim ‘doorboren’ (dus alleen een woord van de groep italisch-keltisch-germaans).

Het on. gedda ‘snoek’, dat hier vroeger bijgerekend werd, is evenwel niet verwant, blijkens de vorm van het lapse leenwoord kaito (AEW 159). — De beide germ. vormen *gazða en *gazðiō vinden wij in de streektalen en wel de eerste in gard (Achterhoek, Veluwe en Groningen), de 2de in geerd (Vlaanderen, Brabant en spor. Bommel, Maastricht, Zaan).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gard znw. Dial. komen in de bett. “roede” (ook als maat), “tak” vormen met ă (Achterh., Gron., Vel.) en met rekkings-ē (Vla., Brab., Bommel, Maastricht, Zaan) voor, die op wgerm. *ʒarda- resp. *ʒardiô- (oergerm. *ʒazða- en *ʒazðiô-) wijzen: mnl. is gaerde, gheerde v. de gewone vorm in de bet. “tak, roede (ook als maat)”, waarnaast gaert (gart) m. prikkel, roede” (o.a. rijmend op haert “hard”). Uit *ʒazðiô(n)- ontstonden ook onfr. gerda, ohd. gardea, gerta (nhd. gerte), os. gerdia “twijg, roede” (os. sëgel-gerd “ra”), ofri. jerde, ags. gierd v. “roede (ook als maat)” (eng. yard), on. gedda v., overdracht. = “snoek”, — uit *ʒazða- ohd. gart m. “prikkel”, mnd. (ook reeds os.?) gart “tak, roede, prikkel” (mnd. v.), on. gaddr, got. gazds m. “prikkel”. Buiten ’t Germ. vinden wíj ghazdh- in ier. gat “wilgetwjjg”, tris-gata “hij doorboort”, terwijl ier. gas “takje, spruitje” van een auslautvariant *ghas-t- kan komen. Beide verklaringen zjjn mogelijk voor lat. hasta “stang, lans”. ’t Is onnoodig en niet wenschelijk, wgerm. “ʒardiô-van *ʒazða- te scheiden en met russ. žerď “dunne stang” te verbinden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gard v., Mnl. gaert, Os. gard + Ohd. gart, On. gaddr, Go. gazds = prikkel; daarnevens een zw. nw. garde, Mnl. gaerde, gheerde, Onfra. gerda + Ohd. gerta (Mhd. en Nhd. gerte), Ags. gierd (Eng. yard), Ofri. jerde = twijg, roede, On. gedda (Zw. gädda, De. gjedde) = snoek + Lat. hasta = speer, Oier. gat (*gazdh-), gas (*ghast-) = twijg. z. ook geer 2.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gard ‘stekel, prikkel, roe’ -> Frans jarre, jars ‘stijf, stekelend haar in een vacht’ Frankisch; Creools-Portugees (Ceylon) hart ‘boomstam’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gard* strafwerktuig, roe 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut