Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

garant - (borg, waarborg)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

garant zn. ‘borg, waarborg’
Mnl. garant sijn ‘borg staan’ [1383; MNW]; vnnl. in materien van garante ‘inzake borgstelling’ [1503; WNT Aanv.], zijn garant ‘de persoon die zich voor het gerecht voor hem borg stelt’ [1503; WNT Aanv.], garant “waarschap, waar-borgh, verhaal” [1650; Hofman]. Naast garant komt in dezelfde betekenis in het mnl., en in woordenboeken nog tot in het begin van de 19e eeuw, ook warant, warande voor: mnl. wezen warant ‘borg staan’ [1290; MNW warant]; nnl. waarande doen, stellen ‘borg staan, garantie geven’ [1808; WNT warande II].
Ontleend aan Oudfrans garant ‘borg’, eerder al guarant [1080; Rey], het teg.deelw. van een oud werkwoord garir < Frankisch *warjan ‘waarborgen, garanderen’, verwant met mnl. ware ‘opmerkzaamheid, hoede’, zie verder → waarnemen. De Middelnederlandse vorm warant is ontleend aan noordelijk Frans warant; voor de verschuiving w- > g-, zie → garde.
garantie zn. ‘waarborg; waarborgbewijs’. Vnnl. guarantie ‘overeenkomst met verplichtingen (tussen staten)’ [1656; WNT Aanv.]; nnl. guarantie ‘waarborg, zekerheid’ [1700; WNT Aanv.], garantie “borgtogt” [1824; Weiland], ‘waarborg bij aankoop’ [1919; WNT Aanv.]. Uit Frans garantie ‘waarborg’, eerder al algemener ‘bescherming, borg’ [eind 11e eeuw; Rey], een afleiding van garant. In het BN heeft het woord vaak nog het accent op de laatste lettergreep, als in het Frans, in het NN ligt het op de tweede lettergreep en wordt de -t- uitgesproken als /ts/, zoals in veel woorden op -tie.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

garant znw. m., mnl. garant ‘borg, borgtocht’ < fra. garant, naast warant (daaruit mnl. warant ‘borg, verhaal op’) < frank. *warjan ‘weren, verdedigen’, maar ook *werand ‘borg’ (Gamillscheg 457).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

warande znw., mnl. warande v. “jachtterrein, park”. Van oudnoordfr. warande = ofr. garande (: fr. garenne, varenne “jachtterrein, warande, konijnenpark, vischvijver”). Bij fr. garer “bergen” < wgerm. *warôn; zie waarnemen. Vgl. nog fr. garant “borg”, uit ’t deelw. van ’t bij waarborg vermelde wgerm. *warên, -ôn “waarborgen”: vgl. ofri. warand, waranda, mnl. mnd. wārent, -ant m. “garant, borg”, waarnaast in gelijke bet. ’t deelw. van *werên, *werôn: ohd. wërênto, mnd. wērent, ofri. wërand m. Uit ’t Fr. nnl. garant, garantie, garanderen, nog niet bij Kil.; ook elders ontleend. Een mnl. ontl. uit ’t Noordfr. is warendêren, warandêren “waarborgen”.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut