Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

garage - (stalling voor auto's of motorfietsen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

garage zn. ‘stalling voor auto's of motorfietsen’
Nnl. garage ‘stalling voor automobielen enz.’ [1907; Kramers II], garage ‘bewaarplaats voor automobielen, motor-fietsen, fietsen’ [1912; Koenen], i.h.b. voor de verkoop [1930; ReclameArsenaal]. Later ook ‘bedrijf met garage’ en ‘bedrijf met werkplaats voor voertuigreparatie’.
Ontleend aan Frans garage ‘stalling voor wagens of spoorwagons’ [1865; Rey], eerder al ‘het binnenloodsen van schepen in een rivierhaven’ [1564; Rey], een afleiding van het werkwoord garer ‘stallen, binnenloodsen’, aanvankelijk uitsluitend als maritieme term se varer ‘zich verdedigen, zich beschermen’ [15e eeuw; Baldinger], misschien eerder al in Oudfranse teksten uit Bretagne varer ‘zich verdedigen’ [1180; Baldinger]. Dit werkwoord moet ontleend zijn aan het Germaans. Volgens Rey is het afkomstig van Oudnoors *varask ‘op zijn hoede zijn’, volgens NEW van Oudnoors *varan ‘verwittigen, beschermen’; beide werkwoorden zijn verwant met mnl. ware ‘opmerkzaamheid, hoede’, zie verder → waarnemen. Voor de verschuiving w- > g- zie → garde. Het woord is blijkbaar ontstaan aan de kust en kwam via het maritieme verkeer met Normandië het Parijse taalgebied binnen.
In het Nederlands werd het woord van het begin af aan uitsluitend toegepast op onderkomens voor rijdend materieel. Bedrijven hadden zo'n garage in de eerste plaats t.b.v. de verkoop, maar er werd natuurlijk ook gerepareerd. Zodra het woord ook het hele bedrijf kon aanduiden, dus garage = garagebedrijf, verdween de directe associatie met voertuigenopslag en kon een garage ook een bedrijf zijn waar voertuigen niet worden verkocht maar alleen worden gerepareerd. In de garage bij woonhuizen en in de parkeergarage houdt het woord zijn oude betekenis.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

garage [autostalling] {1901-1925} < frans garage, van garer [bergen, opbergen], uit het germ., vgl. bewaren.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

garage s.nw.
1. Vertrek of gebou waarin motors en motorfietse geberg word. 2. Onderneming wat motors en motorfietse verkoop en versien.
Uit Eng. garage (1902).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

gara’ge (de), gara’ges (mv.), (ook:) gebit waaraan tanden ontbreken (vooral gezegd door kinderen m.b.t. kinderen die aan het wisselen zijn). Je hebt een garage! of Je hebt garages! - Etym.: Heeft betrekking op de gelijkenis van een opening met een openstaande garage.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

garage: “motorhawe”; wsk. via Eng. garage uit Fr. garage, wsk. v. Germ. herk. en verb. m. Ndl. (be)waren, Afr. (be)waar.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

garage (Frans garage)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

garage ‘autostalling’ -> Indonesisch garasi ‘autostalling’; Boeginees garâsi ‘autostalling’; Menadonees garasye ‘autostalling’; Minangkabaus garasi ‘autostalling’; Sranantongo garas ‘autostalling’; Sarnami garás ‘autostalling’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

garage autostalling 1912 [KKU] <Frans

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

garage (naar de Paradise Garage, een New Yorkse gay*-club waar dit soort muziek gespeeld werd), New Yorkse vocale variant van house(muziek)* met soul-ingrediënten, vooral in de manier van zingen, en een luid, energiek en ongepolijst geluid. Sinds ca. 1988. → garagerock*.

Het begrip ‘garage’ dook voor het eerst op in Engeland, zo’n anderhalf jaar geleden. Engelse hitmakers als M/A/R/S/S, Bomb The Bass en S’Express pluimden toen zonder scrupules het disco-repertoire uit de jaren ’70. Aldus begonnen bepaalde clubs de originele nummers opnieuw in hun programmatie op te nemen, nummers die een verpletterend succes kenden ten tijde van het ‘Saturday Night Fever’-syndroom. Net op dat (moment daalde echter ook de grote acid-wolk over Londen neer, en de prille garage-stroming werd daar volledig overschaduwd. De terugkeer van Smiley luidde de revival van de seventies in, maar garage als dusdanig kwam nog niet aan bod. (Fabiola, mei 1989)
Garage is (de soulvolle variant van house-muziek die het afgelopen jaar zich met succes uit de underground omhoog heeft gewerkt. (Oor, 18/11/89)
Amerikaanse garage, de (Newyorkse) vocale house, is in Nederland altijd in de schaduw gebleven van populaire stijlen als ‘mellow’ (of ‘hardcore’. (De Volkskrant, 09/12/94)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal