Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gans - (geheel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gans 2 bn. (BN) ‘geheel’
Mnl. de regle der gandser brodre ende sustre ‘de regel van de broeders en zusters die gezond van lichaam zijn’ [1236; CG I, 20], gansleke ‘op gezonde wijze’ [1240; Bern.], ganc (wrsch. te lezen als gants) te gods eeren ‘geheel, volkomen tot Gods eer’ [1285; CG II, Rijmb.], (om) te besiene of sie gans waren ‘om te zien of zij (houten balken) ongeschonden, gaaf waren’ [1298; CG I, 2497]; vnnl. een gantsch geselschap ‘een compleet gezelschap’ [1576; WNT zwijd], gantsch verslagen ‘geheel verslagen’ [1598; WNT Supp. aanroeren].
Ontstaan uit ouder gands/gants, dat al vroeg ontleend is aan Hoogduits ganz ‘geheel, volledig’. De spelling gansch is onetymologisch; men veronderstelde dat gans van het type vers(ch) en hoofs(ch) was.
Ohd. ganz ‘heel, onkwetsbaar, volledig’ [7e eeuw; Kluge21], met daarnaast de afleidingen genzī ‘het geheel’ [ca. 1000; Pfeifer], mhd. ganzlich, genzlich ‘geheel’ en genzen ‘heel, zalig maken’, irunganzēn ‘verwelken, afnemen’ (nhd. ergänzen ‘volledig maken, verkeerd erbijvoegen’). Vanuit het Hoogduits heeft het woord zich naar het noorden verspreid. Daardoor ontstonden door ontlening: mnd. ganzen ‘heel, zalig maken’, gans, ganz ‘geheel’; ofri. gans ‘geheel’ (nfri. gâns, gânsk); nzw. ganska ‘tamelijk, nogal’, nde. ganske ‘heel, tamelijk’ (beide met onetymologische -sk-). Misschien verwant met got. gansjan ‘bereiden, klaarmaken’.
Verdere etymologie zeer onzeker. De Hoogduitse vorm zou een leenwoord uit het Litouws kunnen zijn, dat de woorden gana ‘genoeg’, ganėti ‘genoeg zijn’ heeft. Het zou dan verwant zijn met: Grieks eutheneĩn ‘gedijen, vruchtbaar zijn’; Sanskrit āhaná- ‘zwellend, overvloeiend’; Oudkerkslavisch goneti ‘voldoende zijn, tevreden zijn’.
In het Middelnederlands is de vorm genten ‘genezen’ een enkele maal geattesteerd; uit deze vorm kan, als het van een -jan-werkwoord afkomstig zou zijn, *gant gereconstrueerd worden. Dat het van Hoogduits genzen zou komen, is uitgesloten.
In het NN is gans weinig frequent, behalve in de uitdrukking van ganser harte. In het BN wordt gans soms gebruikt met zn. die een tijd uitdrukken, bijv. de ganse dag ‘de hele dag’, of een collectief, bijv. het ganse dorp, de ganse collectie.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gans2 [geheel] {gans, gants(ch), gantz [gezond, genezen, in zijn geheel, volkomen] 1236} < oudhoogduits ganz, waarvan de etymologie onzeker is.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gans 2 bnw. mnl. gans, zelden gansch ‘gezond, ongeschonden, gans, oprecht’, mnd. gans ‘gezond, ongeschonden’ < ohd. ganz ‘ongedeerd, gezond’. Het woord is eigenlijk alleen hd., want de nl., nd. woorden en over het laatste ook nde. ganske, nzw. ganska zijn aan het hd. ontleend. Dat maakt de etymologie hoogst onzeker.

De vraag is dus: is het een erfwoord dan wel een leenwoord? Voor het laatste pleitte H. Möller ZfdA 36, 1892, 326-356, die dacht aan ontlening aan osl. konici ‘einde’; maar dat reeds in het ohd. zulk een overname zou hebben plaatsgevonden, is niet waarschijnlijk. — Sedert Brugmann neemt men wel aan verband met lit. ganà, lett. gana, gan ‘genoeg’, verder: lit. ganė́ti, osl. goněti ‘voldoende zijn’, oi. āhanás ‘zwellend, overvloedig’, arm. yogn ‘veel, velen’ (IEW 491 bij idg. wt. *ghen, waarbij echter de germ. woorden niet vermeld worden, ofschoon naar de betekenis deze aanknoping niet onbevredigend is. — 2. E. W. Fay IF 32, 1913, 320-332 wil op het voetspoor van Benfey aanknopen aan gr. chandánō ‘vasthouden, nemen’, lat. praehendo ‘grijpen’, wat semantisch weinig bevredigt. — B. Schmidt IF 33, 1913/4. 313-332 wil aanknopen aan het ne. gaunt, dat wel betekent ‘begerig, hongerig’ > ‘dun, slank’ en dan verder aan gr. chandón ‘met grote teugen (vooral chandón pieĩn), dat dan verder met cháskō, chaínō ‘gapen, opengesperd zijn’ samenhangt (waarvoor zie: geeuwen); maar de sprong van het ohd. woord naar het slechts in enkele verbindingen voorkomende griekse is te groot, om de etymologie overtuigend te maken. — Een kaart voor de dialectische vormen van het meervoud geeft J. Daan, Taalatlas afl. 3, 15.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gansch bnw., mnl. gans (zelden gansch) “gezond, ongeschonden, in zijn geheel, gansch, oprecht”. De spelling met sch is noch phonetisch noch etymologisch. Evenals mnd. gans (ganz) “gezond, ongeschonden, geheel” uit ohd. ganz “gezond, ongedeerd, in zijn geheel”‘ (nhd. ganz). Uit het Mnd. weer de. ganske, zw. ganska, opr. gāntsas, lit. ganc, gancnas. Oorsprong onbekend. Op een grondvorm *ʒaŋʒ-ta- (bij gang) zou ganz formeel kunnen teruggaan, maar deze is formantisch en semantisch onaannemelijk: een afleiding met idg. -do-, beteekenende “kunnende gaan” > “gezond, ongedeerd” is niet wel mogelijk. Vgl. nog bij sieren.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

gans[ch]. De pogingen, om voor ohd. ganz verwantschapsbetrekkingen buiten het Germ. te vinden, zijn alle zo onzeker (laatstelijk Fay IF. 32, 331; B. Schmidt IF. 33, 313 vlgg.), dat de oudere hypothese van Herm. Möller ZsfdA. 36, 326 vlgg. vermeldenswaard blijft, al is ook die niet zonder bezwaren; volgens M. zou het ohd. woord ontleend zijn aan een oudslav. aequivalent van obg. konĭcĭ ‘einde’, waarvan een adverbiaal gebruikte casus kon betekenen ‘tot het einde toe, gans’. Van het Hd. uit heeft het woord zich noordwaarts verbreid en is in de Nederlanden altijd min of meer boekenwoord gebleven tegenover het volkswoord heel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gansch bijv., Mnl. gants, gansc, gelijk Fri. gans. De. ganske, Zw. ganska, over Mndd. gans, uit Hgd. ganz: Ug. *gaŋg-t- = kunnende gaan, op de been, gezond, van gangan (z. gaan; vergel. Hgd. gäng und gäbe en voor de bet. geheel). Wvl. adv. geheelegan zou op Ug. teruggaan.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2gans b.nw.
Heel, geheel, of heeltemal, in elke opsig.
Uit Ndl. gansch (al Mnl.). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

gans II: “geheel”; Ndl. gans(ch) (Mnl. gans), Hd. ganz; verw. hoërop baie omstrede en onseker; v. gansegaar.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

gans ‘geheel’ (Duits ganz)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Gansch bet. eigenlijk heel, zonder stukken of gebreken; ’t Mnl. gansen bet. gezond maken, evenals ons heelen van heel. Zie Ongansch. Vgl. nog: „Hi was gans ende ghesont.”

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gans ‘geheel’ -> Fries gans ‘geheel’; Negerhollands gans ‘geheel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gans geheel 1236 [CG I1, 24,25] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut