Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gans - (zwemvogel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gans 1 zn. ‘zwemvogel’ (Anser)
Mnl. gans ‘gans, zwemvogel’ [1240; Bern.], .i. gans. rou. gheplucht an .i. spit. ‘een gans, rauw, geplukt, aan een spit’ [ca. 1266; CG I, 130], wrsch. ook in de toenaam iohan goes ‘Johan Gans’ [1267; CG I, 109].
Mnd. gōs, gās; ohd. gans (nhd. Gans); nfri. goes, guos; oe. gōs (ne. goose); on. gás (nzw. gås); got. *gansus; < pgm. *gans-. (De Gotische vorm is een reconstructie aan de hand van Spaans ganso, dat aan het Gotisch moet zijn ontleend; de Visigoten speelden in Spanje een belangrijke rol tot ze in 711 door de Moren verslagen werden).
Daarnaast vormen met -t- in plaats van -s-, dus uit pgm. *ganta-: mnl. gent (zie onder); mnd. gante (nnd. gander); ohd. ganazzo, ganzo (mhd. ganze, ganzer, ganser: nhd. Ganser); oe. ganot ‘jan-van-gent’ (ne. gannet), gan(d)ra ‘mannetjesgans’ (ne. gander); aan een van deze vormen ontleend zijn de Latijnse vorm (bij Plinius) ganta ‘gans’ en Oudfrans gante.
Buiten het Germaans verwant met: Latijn ānser; Grieks (Ionisch, Attisch) khḗn (genitief khēnós), (andere dialecten) khā́n (genitief khānós); Sanskrit hamsá-; Litouws žąsis; Kerkslavisch *gǫsĭ ‘gans’ (Russisch gus', Pools gęś); Oudiers géis ‘zwaan’ (< *gansī); bij het wortelnomen pie. h(e)h2ns-. Gezien Germaanse formaties met -d- moet de -s- oorspr. een achtervoegsel zijn geweest.
Noordzee-Germaanse vormen (zonder -n- en met compensatierekking) zijn bewaard gebleven in eigennamen en plaatsnamen: Van Goesevoorde, Goesevoorde en Goes als toenaam of beroepsnaam. Voorts als spoor in Vlaams goezemoes ‘ganzemuur’ (een plant).
ganzerik 1 zn. ‘mannetjesgans’. Vnnl. ganzerik ‘id.’ [1599; Kil.]. Jonge vorming bij gans naar het model van Duits gänserich ‘id.’ [midden 16e eeuw; Pfeifer], dat zelf is gevormd naar het model van het oudere Enterich ‘mannetjeseend’, ontwikkeld uit ohd. anutrehho, letterlijk ‘eend-draak’, zie → eend en → draak. Zowel in het Duits als in het Nederlands is de woordvorm aangepast aan bestaande achtervoegsels: Duits -erich, Nederlands → -erik. ♦ gander zn. ‘mannetjesgans’ (gewest.). Nnl. gander ‘id.’ [1847; WNT wispeltuur]. Wrsch. ontleend aan Engels gander of Nederduits gander, ganner ‘id.’, beide mogelijk gevormd bij het woord voor ‘gans’ naar analogie van → kater bij → kat. ♦ gent zn. ‘mannetjesgans’. Mnl. ghent ‘id.’ in de persoonsnaam van Joh. de Ghent [1282; Debrabandere 2003], gent [1340-60; MNW-R]. Behorend bij de bovengenoemde Germaanse woorden uit pgm. *ganta-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gans1* [zwemvogel] {1201-1250} oudhoogduits gans, middelnederduits gans, gōs, oudengels gōs (engels goose), oudnoors gās, vormen zonder n in landen langs de Noordzee; buiten het germ. latijn anser, (< hanser), grieks chèn, litouws žąsis [gans], oudiers géis [zwaan], oudindisch haṃsa- [gans]. De uitdrukking dat valt op een gansje [dat is een meevallertje] is ontleend aan het ganzenborden. Als men op een gans terecht komt, telt het aantal van de geworpen punten dubbel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gans 1 mnl. gans, ohd. gans, mnd. gans, gōs, oe. gōs (ne. goose), on. gās ‘gans’, got. *gansus (te concluderen uit spa. ganso). — lat. anser (< *hanser), gr. chḗn, oi. hamsa-, oiers geiss ‘gans’ (IEW 412). Het idg. woord * ĝhans is tot in het chinees (n)gan doorgedrongen (vgl. Conrady, Ber. sächs. AW 75, 1952, 13-15). — Zie ook: ganzerik, gander en gent.

De vorm gôs behoort tot de zogen. ‘kusttaal’ en heeft ook sporen in het vlaams nagelaten vgl. goezemoes ‘ganzemuur’ en wellicht de plaatsnaam Goesvoorde (vgl. M. Schönfeld Ts 53, 1934, 299-302). — De verbinding van gans met de groep van gapen, reeds door Brugmann, Grundrisz2 2, 1, 526 voorgesteld, is door B. Schmidt IF 32, 1913, 329-331 weer opgenomen (vgl. ook IEW 412), maar ook de verbinding van on. gagl ‘ganzesoort’ met mnl. mnd. gagel ‘keel, tandvlees’ kan dit niet aannemelijker maken, daar on. gagl stellig bij de groep van gaggelen behoort, dus van klanknabootsende oorsprong is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gans znw., mnl. gans v. = ohd. (nhd.) gans, mnd. gôs (ook gans), ags. gôs (eng. goose), on. gâs v. “gans”. Een idg. consonantische stam *ĝhā̆ns-, die ook in gr. khḗn “gans” is bewaard gebleven. Vgl. verder ier. gêis “zwaan”, lat. anser “gans” uit * hans-er, lit. żąsìs “gans”, oi. haṁsá- “gans, zwaan”. Blijkens de g is obg. gąsĭ “gans” wsch. uit ’t Germ. ontleend. Arm. sag “gans” is niet verwant. Men neemt gewoonlijk aan, dat de s formantisch is en dat nnl. gent, dial. (om Kampen, in den Achterh.) gantǝ mnl. ghent m., ohd. ganaʒʒo, ganzo m., mnd. gante m. “ganzerik”, ags. ganot m. “zwaan, zeevogel” (eng. gannet), oudgerm. ganta “gans” (bij Plinius) benevens nnl. gander (zeldzaam), nnd. nhd. dial. gander, ags. gandra m. (eng. gander) “ganzerik” formantische varianten zijn. Aangezien deze woorden echter tot ’t Germ., zelfs tot ’t Wgerm. beperkt zijn, zijn ze veeleer te verklaren, doordat andere vogelnamen — vgl. lit. gañdras “ooievaar”? — met gans in associatie traden; vgl. lat. càtulus “jong van een dier, jonge hond”, dat niet met canis “hond” verwant is, maar onder invloed hiervan de bet. “jonge hond” heeft gekregen. Ofr. gante “wilde gans” komt uit ’t Germ. — Ganzerik, bij Kil. naast ganser. — hd. gänserich m. (ganser al in 1408), dat bij ’t opkomen van ’t ndl. woord invloed had. Gevormd naar ’t model van ohd. anutrehho (nhd. enterich), mnd. antdrāke m., Kil. endtrick “mannetjeseend”, uit eend + *drakan- (vgl. ndd. eng. drake “mannetjeseend’’).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gans v., Mnl. id. + Ohd. id. (Mhd. en Nhd. id.), Ags. gós (Eng. goose), On. gás (Zw. gas, De. gaas) + Skr. hamsas, Gr. khḗn, Alb. guse, Lat. anser (voor *hanser), Oier. géis, Lit. żasìs; blijkens gent en gander is s suffix (Osl. gǫsĭ is uit Germ. ).

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Gaans Gronings voor Gans ↑.

Goes Het friese woord voor Gans ↑.

Grote Canadese Gans Branta canadensis (Linnaeus: Anas) 1758. Deze grote vorm van Canadese Gans ↑ is wat vroeger de nominaatvorm was.

Hutchins’ Canadese Gans Branta hutchinsii (Richardson) 1831. Voormalige (kleine) ondersoort van de Canadese Gans ↑, die sinds kort als soort is afgesplitst. Deze broedt aan de kusttoendra’s van Canada en overwintert in Oklahoma, Texas en Mexico [Terres 1980]. Gezien de lange trekweg zou deze soort misschien op natuurlijke wijze in Europa kunnen geraken. Van enkele in N waargenomen exemplaren is het echter niet zeker of het werkelijk transatlantische dwaalgasten betreft.
Dr. Thomas Hutchins was een engelse natuuronderzoeker en chirurg in dienst van de Hudson Bay Company [Terres].

Indische Gans Anser indicus (Latham Anas) 1790. Een in de Lage Landen regelmatig in verwilderde staat aan te treffen soort van ‘grauwe’ Gans, die inheems is in Hoog-Centraal Azië en die overwintert o.a. in het noorden van India. De N naam komt voor in NAE 1958. Het predikaat ‘Indisch’ komt ook voor in veel buitenlandse namen voor de soort; overeenstemmend met de oude N naam Indische Strepengans luidt de naam in het E: Bar-headed Goose en in het F: Oie à tête barrée. D Streifengans.

Kanadeeske Goes Officiële friese naam voor de Canadese Gans ↑ [Boersma 1972].

Skiere Goes Officiële friese naam voor de Grauwe Gans ↑ [Boersma 1972]. Albarda 1897 gaf (in N vertaling) de friese naam Groote schiere en de groningse Schierling ↑. Fries skier kan hier zowel ‘grijs’ als ‘grauw’ betekenen. Voor Goes zie sub Gans.

Blauwe Gans Nederlandse benaming voor de blauwe kleurfase van de Sneeuwgans ↑ Anser c. caerulescens (= Kleine Sneeuwgans). De naam komt voor in HFP 1973 en (tussen “”) in Kist 1962 (p.79). [T.t.v. Kist 1954 was over deze kleurfase nog niet alles bekend: “De Noord-Amerikaanse vorm, A. h. caerulescens, die in Ierland is voorgekomen, is vermoedelijk een kleurfase van A. h. hyperboreus.”]
De witte fase is talrijker dan de blauwe, maar de blauwe fase is de enige vorm die we bij Linnaeus 1758 aantreffen! Houttuyn 1763 noemt hem Blaauw-Vlerk (p.36). Dit is ook de reden voor de huidige wetenschappelijke naam voor de Sneeuwgans: Anser caerulescens, die van Linnaeus afkomstig is, i.p.v. Anser hyperboreus Pallas.
E/Am Blue Goose [Soper 1930 (in HVM 1968, p.198)].

Canadese Gans Branta canadensis (Linnaeus: Anas) 1758. Vroeger ook Canadagans. De naam voor deze vogel is in veel talen ontleend aan het land dat het grootste deel van het oorspronkelijk broedgebied uitmaakt: Canada.
Tegenwoordig is het in het lemma bedoelde taxon opgesplitst in een aantal zelfstandige soorten. Voor Branta canadensis geldt nu de N naam Grote Canadese Gans [ZVN p.47]. Een andere soort is de Hutchins’ Canadese Gans ↑.
BENOEMINGSGESCHIEDENIS Houttuyn 1763 vertaalt Linnaeus’ Anas canadensis met “Kanadasche Gans”, en schrijft verder: “Deeze wordt, door de Engelschen, de Gans van Kanada geheten.” Inderdaad kennen de Engelsen de soort dan al vanuit de introductie in eigen land, sinds Ray/Willughby 1678; bij deze “Anser canadensis” [Kolbe 1981; Wilms 970915,1].
De naam Canadagans staat vermeld in Schlegel 1858. Ook in Schlegel 1852 wordt de soort opgevoerd, want hij is “Eens in Noord-Holland gevangen”, maar daar staat uitsluitend de wetenschappelijke naam. Albarda 1897 en Snouckaert 1908 noemen de soort dan weer niet.
ETYMOLOGIE Canada: Het gelegenheidsmagazine Canada 1867-1967 vermeldt: “The name Canada is believed to have been derived from the Hufon-Iroquois Indian word Kanata meaning ‘a village or community’. It appears first in a narative of Jacques Cartier (1535) and a century later in Robert Merchant’s Map of Canada (1638). Thereafter the name became the popular destination for the colony of New France, and ultimately for the whole country.” [JBvd Berg in litt.]

Gans fries Goes Algemene benaming voor alle leden van de tribus Anserini minus de Zwanen. Vanouds (vgl. Gr Chḗn alṑpēx = Alopochen aegyptiacus ‘Nijlgans’ ↑) (ook) voor leden van andere tribus zoals de Tadornini, en bij uitbreiding ook voor de Cereopsini ‘Hoenderganzen’, Cairinini ‘Spoorwiekganzen’ (zie bijv. sub Dwerggans), of zelfs voor niet-verwante families als de Otididae, maar in dit laatste geval in combinatie met Trap- (Trapganzen). In volksnamen ook voor de niet-verwante Aalscholvers (Rotgans ↑, Ielgoes ↑) en Genten ↑ (Bassaangans ↑), en in overdrachtelijke zin zelfs voor mensen (een domme gans). De Gans is vermoedelijk al heel lang gedomesticeerd en bekend bij vele volkeren. Bij vergelijking van de namen in vreemde en oude talen valt op dat het woord voor ‘Gans’ steeds heel goed herkenbaar blijft. Het is een mooie demonstratie voor de verwantschap van de idg talen; in een niet-verwante taal als het fins (uit de oeralische taalfamilie) is er een herkenbaar woord voor ‘Gans’, namelijk Hanhi, maar dit is geleend van litouws Žasis [Suolahti]. Het is daarom te verwachten dat klanknabootsing bij deze luidruchtige vogels een rol gespeeld heeft, maar het is wellicht een gok om dat aspect nu precies bij het oudnoords gås te benadrukken, zoals Blok 1988 doet, temeer daar de uitspraak van dit woord nu niet bepaald aan de Ganzenroep herinnert.
Bij het overzien van de navolgende namen bedenke men dat germ g- (idg gh) overeenkomt met Lat h-. Umlaut van [a] naar [e] vindt plaats in N Gent ‘mannetjes-Gans’. Klinkerwisselingen treden ook op bij de meervoudsvorming, in het D niet ongewoon, maar in het E, fries en zweeds wel (Gans-Gänse, Goose-Geese, Goes-Gies (Guozzen) resp. Gås-Gäss; vgl. ook de meervoudsvorm Rotges sub Rotgans en Seerotsje).
ETYMOLOGIE N Gans Lex Salica (8e eeuw) voorkomen [Suolahti p.411, contra Sijs 2001 p.108]; gronings Gaans; zeeuws Ganze; D Gans gans. In fries Goes, mnd gôs, E Goose gōs (E goose >samoanisch kusi [Hutterer 1999]) en zweeds/deens/noors Gås gás is sprake van een zgn. ingweonisme, hier inhoudend dat de n (voor s) verdween en de voorafgaande klinker gerekt werd; het is niet zeker of brabants Gaas en limburgs Gaas, Gaus, Geis en Jaas ook als ingweonismen moeten worden opgevat. Oostgermaans (gotisch) *gans. In de romaanse tak vindt men Lat Anser (<*hanser). Ganta wordt in enkele oude Lat bronnen (4e eeuw) als germ opgegeven; in een geval blijkt deze naam te staan voor de Bergeend; provençaals Ganto ‘Gans, Ooie- vaar’ en oudf jante ‘Gans’ staan hiermee in verband [Suolahti].
In de balto-slavische tak: tsjechisch Husa, R Гусь Gus', bulgaars Гъска, Гъсок, pools Geś, serv.-kr. Guska, sloveens gos, oudpruisisch sansy, lets Zoss, litouws Žasis ‘Gans’, gandras ‘Ganzerik’. In de keltische tak: iers geis, geiss ‘Zwaan’. Gr Chḗn, dorisch chan (<chans). In de indo-iraanse (arische) tak: sanskriet hamsa. Idg *ghans. [Suolahti]
Er ontbreekt hier een modern F equivalent; dat komt omdat F Oie afgeleid is van m.e.Lat auca, waarvan ik de betekenis niet heb kunnen vinden. Wellicht schuilt hierin het woord avis ‘vogel’, net zoals in Lat auceps ‘vogelaar, vogelvanger, poelier’, terwijl het tevens erg onomatopoëtisch aandoet. It, Sp en catalaans Oca. In het Sp kent men minstens drie woorden voor ‘Gans’: 1. ganso (ws. ontleend aan gotisch *gansus) 2. Oca en 3. Ansar, welk woord vermoedelijk pas recent aan het Lat ontleend is.
Ganzerik ‘mannetjes-Gans’ Gänserich is gevormd naar analogie van D Enterich ‘woerd’ anutrehho [mb. 01C,30]. De N synoniemen Gander en Gent ↑ zijn met Gans verwant; mogelijk ook E Gannet ‘Jan van Gent’ ganot (en misschien E Knot <Knat, Knut ‘Kanoetstrandloper’ ↑).

Grauwe Gans Anser anser (Linnaeus: Anas) 1758. Ganzensoort waarvan het gehele verenkleed een mozaïek van verschillende grijsachtige tinten (van wit tot donkergrauwgrijs, sepia) is. Onder ‘grauwe ganzen’ worden ook wel alle soorten van het geslacht Anser verstaan gesteld tegenover die van het geslacht Branta (Rot- en Brandganzen), dat er contrastrijker uitziet. Zie ook Gans en fries Skiere Goes. E Greylag Goose (oudengels lag ‘gans’), D Graugans <Wilde Gans (1555), zweeds/noors/deens Grågås, ijslands Grágaes, F Oie cendrée.
Vroegere (officiële) N namen: “... wilde Gansen ...” (Placaet Generael dd 27 Maart 1524) [Brouwer 1953]. Gans (Houttuyn 1763) als N naam voor Linnaues’ Anas Anser, maar daarna volgt een beschrijving van de “Wilde Ganzen” (o.a. over hun trek) en de “Tamme Ganzen” (o.a. over hun waakzaamheid). In 1555 gaf Gesner naast de latijnse naam Anser ferus de mhd/D naam “Wilde Gans”. Of met de “Wilde Gans” altijd Anser anser wordt bedoeld, valt te betwijfelen. Zo schrijft Wickevoort Crommelin 1858: “Anser cinereus M.& W. (= Anser anser ferus Temm.) is te Amsterdam bij de poeliers vrij zeldzaam, terwijl Anser segetum Bechst, Temm. [= Rietgans] aldaar jaarlijks, in groot aantal, uit Overijssel wordt aangevoerd.” Schlegel 1852 maakt in zijn lijst wel duidelijk onderscheid tussen de “WILDE GANS, ook Graauwe gans genoemd” en de “RIETGANS, ANSER SEGETUM Bechst.” Wilde Gans is ook de naam bij Hens 1926, welke naam overigens in Limburg ook werd gegeven aan de Kraanvogel [WLD].

Helsinger Gans Naam bij Houttuyn 1763 voor wat bij Clusius 1605 Anser Helsingicus heette. Dit was een naam voor de Rotgans ↑, of anders voor Rot- en Brandgans samen. Houttuyn geeft deze naam echter, door allerlei misverstanden, bij de bespreking van Linnaeus’ 8e Anas, namelijk Anas erythropus (onder welke naam we nu de Dwerggans verstaan). Houttuyn neemt ook de verkeerde etymologie van Linnaeus over; hij schrijft namelijk: “Deeze, die by CLUSIUS onder den naam van Helsinger Gans is voorgesteld, om dat hy in Helsingie, een Landschap van Sweeden, gevonden wordt, is door RUDBECK afgetekend.” [De zwart-witte tekening van Rudbeck betreft een Dwerggans of een Kolgans; welke van de twee is niet goed te zeggen.] De herkomst van Clusius’ naam is echter niet Zweden (gedacht was, door Linnaeus, aan Hälsingland), maar IJsland, waar de Brandgans (nu) Helsingi heet, of de Faeröer, waar de Rotgans Helsingegás heet [Bibič 1995; Løppenthin 1976] Helsingr [AEW 2000]. In de naam zit oudnoords helsi ‘halsband’ opgesloten [Wilms 980430,1; AEW 2000]; de naam past dan beter op de Rotgans dan op de Brandgans. Zie ook sub Roodpoot.
De Vlaming Carolus Clusius (= Charles de l’Ecluse) (1526-1609) stond via de Leidse professor Pieter Pauw (Petrus Pavvius 1564-1617) in verbinding met Henrik Højer, een noorse arts uit Bergen, en van deze had hij de naam ws. opgekregen, tegelijk met informatie over de gans in kwestie.

Ross’ Gans Anser rossii (Cassin) 1861; in de Am literatuur: Chen rossii Cassin 1861. Kleiner evenbeeld van de (witte fase van de) Sneeuwgans. Grzimek 1973 geeft dan ook de N naam Ross-sneeuwgans. In Ryder 1972 (Biology of nesting Ross’s Geese, Ardea 60) foutief (wat Ross betreft): N Ross Gans.
Ross’ en Sneeuwgans horen thuis in Noord-Amerika. Van een groep van 18 Sneeuwganzen in 1980 te Andijk (NH), is via een pootring bewezen dat zij wilde vogels waren. Dit zou dus ook het geval kunnen zijn bij een op 30 november 1985 door Fred Cottaar ontdekte Ross’ Gans in polder Velserbroek (NH). De soort wordt evenwel vaak door ‘Eendenliefhebbers’ in gevangenschap gehouden, waar zij ook met succes broedt; met andere woorden: Ross’ Ganzen in N kunnen ook heel goed uit gevangenschap ontsnapt zijn.
Door de grote gelijkenis met de getalsmatig ook veel sterker vertegenwoordigde Sneeuwgans is de Ross’ Gans pas betrekkelijk laat voor de wetenschap ontdekt. Dit gebeurde door John Cassin (1813-1869), die de soort vernoemde naar Bernard Rogan Ross, Chief Factor of Hudson’s Bay Company, Canada [Terres 1980].

Russische Gans Alternatieve naam voor de Roodhalsgans ↑ [Albarda 1897]. De naam is naar het broedgebied, Noord-Siberië (dat is R grondgebied).
ETYMOLOGIE russisch Rusch ‘russisch’ [MH 1932]. R ру́сский róesskij ‘russisch, Rus’, Росси́я Rossíja ‘Rusland’. hoi Rōs ‘de Noormannen’, Rōsisti ‘scandinavisch’; het waren deels de Noormannen, die roeiend de russische rivieren optrokken en Rusland gingen bevolken.
Oudzweeds Rōþsmenn, Rōþskarlar ‘roeiers, zeevaarders’ roðr ‘het roeien’ (vgl. N roer, D Ruder en E rudder). De Finnen noemen Zweden nu nog: Ruotsi.

Schotsche Gans Naam van tweede keus voor de Jan-van-gent ↑ bij Houttuyn 1763 en B&O 1822. Evenals bij de synonieme naam Bassaner Gans ↑ het geval is, verwijst het eerste deel naar de dichtstbijzijnde Jan-van-gentenkolonie: de Bass Rock voor de Schotse kust bij Edinburgh. In HG 1669 (en dus ws. ook bij Gesner 1557): Schottenganß en bij Turner 1544: Bassani anseres [Lockwood p.28].
Het begrip ‘Gans’ zit ook in Jan-van-gent: de Gent ↑ is immers het ♂ van de Gans. Jan-van-genten zijn echter niet verwant met de Ganzen Anseres; zij hebben bijv. alle vier tenen verbonden door zwemvliezen (kenmerk van de Roeipotigen), terwijl bij de orde der Anseriformes de vierde teen vrij is.

Wilde Gans Verouderde N naam voor de Grauwe Gans ↑. De naam kon ontstaan doordat men vroeger (en ook nu nog) tamme Ganzen hield, waarvan men de ‘wilde Ganzen’ dan om praktische redenen onderscheidde, bijv. in Houttuyn 1763, p.29 en 31). Bij B&O 1822 is “De gemeene of wilde Gans” de N benaming voor “Anas segetum”, terwijl de N benaming “De Gans, Europische Gans” wordt gebruikt voor “Anas Anser ferus” (Lat ferus ‘wild’!). Ws. werden met ‘Wilde Gans’ een tijdlang verschillende soorten Ganzen aangeduid, en ook nu is dat in de volksmond nog zo. In Limburg was/is Wilde Gans een benaming voor de Kraanvogel [Hens 1926 p.156].

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

GANZEN
Gans en de Romeinse naam Anser zijn klanknabootsende woorden, naar het ‘gakken’ van sommige ganzesoorten. De Friese meervoudsvorm van gans (goes) is gies, goesen of guozzen. De mannetjesgans wordt gent, ganzehaan, ganderik of ganzerik genoemd. Namen voor een vrouwtjesgans zijn gansje, ganzepoele en kol. En voor tamme ganzen: boeren-, huis-, kerst-, soep- en St. Maartensgans.

GRAUWE GANSAnser anser
Duits Graugans
Engels Greylag Goose
Frans Oie cendrée
Fries Skiere Goes
Betekenis wetenschappelijke naam: gans. Deze overwegend bruingrijze gans, die samen met Kolgans, beide Rietganzen en Dwerggans tot de zogenaamde ‘grauwe’ ganzen wordt gerekend, draagt die kleuraanduiding als soortnaam. Samen met het robuuste uiterlijk en de opvallend witte kleur van de onderbuik leidde dat tot de volgende volksnamen: Grote Dubbele Gans, Grote Witgat, Greate Wytgat (Fr), Grauwgos (Ter), Greeuwe Gans (Sco), Greate Skiere (Fr), Grote Schiere en Schierling (Gr, NB). Skiere of schier betekent grijs. De namen Blauwe Gans (Kam) en Blauwe (ZH) hebben betrekking op de grijsblauwe kleur van de voorvleugels. De naam Herfstgrauwe (ZH) wijst er op dat deze gans al vroeg in de herfst in ons land kan worden waargenomen wanneer de vogels in hun karakteriserende V-formatie overvliegen. Op de kop van zo’n formatie vliegt de zogenaamde koppeltrekker of (in het Gronings) wake. Grauwe Ganzen die in de winter ons land bezoeken worden in Zeeland Vriesganzen en Winterganzen en in België Vriezeganzen genoemd. Sommige blijven de winter over om veel later, soms nog in mei, samen met doortrekkende soortgenoten, weer verder te trekken. Het is daarom dat jagers in het voorjaar over de Meigans (Kam) spreken; een naam die mogelijk tevens verband houdt met de consumptie tijdens een voorjaarsfeest. Een andere naam door jagers aan de Grauwe Gans gegeven is Wilde Gans of Wylde Goes (Fr). Omdat de soort in ons land het hele jaar kan worden waargenomen en daardoor een bekende vogel is, wordt ook kortweg van Gans, Goâs (Wee), Gaans, Gèèns of Gues (Sch) gesproken. Rondscharrelend in drassig weiland waar hij zijn voedsel vergaart kent men hem als Moddergans (Lij). Als slaapplaats verkiest hij soms het riet, waardoor hij Rietgans werd genoemd. De naam Koenekraan (LvC) typeert deze gans als een onbevreesde en waakzame vogel die bij onraad letterlijk de nek uitsteekt. Met deze naam wordt hij vereenzelvigd met de eveneens zo alerte Kraanvogel. Eertijds werden gevangen genomen Grauwe Ganzen tam gemaakt om ze voor bewaking te kunnen gebruiken. Het is dan ook de stamvader van heel wat ‘boerenganzen’. Zoals uit enkele namen blijkt wordt de gans in Friesland meestal goes genoemd, meervoud: guozzen. De gent heet er garre, het wijfje wordt guske of goeske genoemd.

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

gans: (meestal voorafgegaan door domme) iemand wiens intellect we niet hoog aanslaan. Steeds van toepassing op meisjes of vrouwen. Een gans is het zinnebeeld van domheid of plompheid. Vgl. het Duitse blöde (of: dumme) Gans.

‘Mag ik mijn schoenen?’
Lilian zat voor de toilettafel en smeerde crème op haar wangen:
‘Die staan voor de deur, gans.’ (Willy van der Heide, Tumult in een toeristenhotel, 1954)

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

gans, ganze In de betekenis ‘borrel’ in 1865 voor het eerst opgetekend, door de Vlaamse priester Lodewijk Willem Schuermans. In zijn Algemeen Vlaamsch Idioticon schreef Schuermans:

Te Gent en elders zegt men: eene gans steken, voor eene borrel uitdrinken; hiervan ganzebroer: voor drinkebroer, en de ganzebroers is een gezelschap van drinkers.

De grootste kenner van het Gents, Lodewijk Lievevrouw-Coopman, tikte Schuermans hierover postuum op de vingers. Het moest niet zijn ‘een ganze steken’ maar stekken ‘drinken’. Volgens Lievevrouw-Coopman kwam de borrelnaam ganze omstreeks 1860 ‘volop in zwang’. Hij vermeldt niet waarom.
De gans behoort tot de dieren die eeuwig in het nat kunnen ronddobberen — een motief dat veel borrelnamen heeft opgeleverd (zie voor een overzicht bij kikvors). Wat bij het ontstaan van deze borrelnaam verder zeker een rol zal hebben gespeeld is de waggelende gang van deze vogel, een manier van lopen die ook de dronkaard niet vreemd is. Ook het woord ganzenwijn, voorheen gebruikt als schertsende benaming voor water ‘als den drank der ganzen, in tegenstelling van wijn’, kan van invloed zijn geweest. Dit komt in het Duits al sedert de 16de eeuw voor als Gänsewein.
De gans belandde in Noord en Zuid in verschillende uitdrukkingen voor drinken en dronkenschap. Van een dronkeman zei men in de tweede helft van de 19de eeuw hij kan met de ganzen drinken of als de ganzen water zien, hebben ze dorst. In Zuid-Afrika zei men indertijd, doelend op de waggelpas van de zuiplap, hij jaagt ganse. En de Groningers zeiden aan het begin van deze eeuw als de borrel werd uitgeschonken en de boer wat meer kreeg: jongens een vogel en de boer een gans!

[Harrebomée 1:201; Ter Laan 1929:103; Liev.-Coopm. 407; Mansvelt 38; NZ 4:100, & 27:31-34; Schuermans Bijv. 88; Tuerlinckx 202; WNT IV 265]

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

gaajs (zn.) gans; Vreugmiddelnederlands gans <1240>.

gans (bijw.) helemaal; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) gans, Vreugmiddelnederlands gans <1236> < Duits gans.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1gans s.nw.
1. Enigeen van verskeie groot, eendagtige swemvoëls met 'n bonkige lyf, dik nek en kort bek. 2. Gansvleis as kos gebruik. 3. Baie dom persoon, dikw. 'n vrou of meisie. 4. (geselstaal) Meisie.
In bet. 1, 2 en 3 uit Ndl. gans (al Mnl.). Bet. 4 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekening in Afr. in bet. 4 by Pannevis (1880).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

gans I: voëls. (spp. Anas, fam. Anatidae); Ndl. gans (Mnl. gans), Hd. gans, Eng. goose, Lat. anser, Gr. χên, verb. m. Ndl. ganzerik, Eng. gander, “gansmannetjie”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gans ‘eendachtige’ -> Noord-Sotho ganse ‘eendachtige’ ; Tswana ganse ‘eendachtige’ ; Xhosa hanisi ‘eendachtige’ ; Zoeloe hansi ‘eendachtige’ ; Zuid-Sotho ganse ‘eendachtige’ ; Shona hansi ‘eendachtige’ ; Negerhollands gans ‘eendachtige’; Papiaments † gans ‘eendachtige’; Sranantongo gansi ‘eendachtige’; Saramakkaans gánsi ‘eendachtige’ ; Arowaks kansa ‘eendachtige’; Sarnami hans ‘eendachtige’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gans* eendachtige 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

594. Dat valt (treft, loopt) op een gansje,

dat is een gelukje, een meevallertje; ontleend aan het ganzenbord; eig. ‘door een gelukkigen worp met de dobbelsteenen het nummer van zulk een vakje treffen, waarop eene gans staat, waardoor dan het getal oogen, dat men geworpen heeft, dubbel telt en men aldus dichter bij den pot komt te staan’; Ndl. Wdb. IV, 247; De Amsterdammer, 15 Juli 1922, p. 1 k. 2: Bij de toewijzing van een zetel aan de ‘overschotten’ kan de partij het fortuintje hebben er een zetel bij te krijgen voor een gering ‘overschot’: in al deze dingen is het voor rechts op een gansje geloopen; Nw. Amsterdammer, 8 Mei 1915, p. 11 k. 1: Algemeen werd verklaard dat de weddenschap door mijn vader gewonnen was. Dat ‘viel op een gansje’ voor den hofmeester, die wel graag veel ‘geweren’ (jagers) aan boord had. Vgl. mnl. in die clincken vallen, een beeld ontleend aan de bollebaan.

2477. Als de vos de passie preekt, boer pas op je ganzen,

d.i. ‘als de onrechtvaardigen vrome dingen gaan doen, dan mogen de vromen wel op hunne hoede zijn’Laurillard, 40.; eene waarschuwing tegen een schijnheilige, ook ‘om zich niet tijdens gevaar door mooie praatjes in slaap te laten wiegen’ (Van Eijk II, nal. 55); vertrouw een huichelaar niet. Vgl. Hs. Cyrill. 12 r: Ic (raaf) bootscap u (hoenders) grote bliscap; want die vos is nonne geworden, die vos is gewijlt (gesluierd) ende singet in die kerc mit ynnigen loven; mlat. cum lupus addiscit psalmos, desiderat agnos; Cats I, 436: Wanneer een vos de passy preeckt, boeren wacht uw gansen; 469; 494; De Brune, 22: Wanneer de vos de passy preeckt, 't is tijd, dat ghy uw gans versteeckt; Gew. Weeuw. III, 40: Boer wacht jou ganzen; Tuinman I, 76; 336; II, 128; Adagia, 2: Als den Voss de passie preeckt, Boer wacht u Gansen, nemo tutius malus est quam sub pietatis infula; Harrebomée I, 68; De Telegraaf, 9 Januari 1915, p. 1 k. 4; Het Volk, 27 Febr. 1915, p. 7 k. 2: Als de vos de passie preekt, boer pas op je ganzen! Nw. School, VII, 172; De Amsterdammer, 10 Mei 1914, p. 2 k. 2: t' Is M. Brusse geweest, die in 'n boekje ‘De Journalist’ speciaal over verslaggevers schrijvende, dezen heeft aangemaand niet te ‘litterair’ te doen. Dit was wel eenigszins de vos die de passie preekte; De Cock1, 237; fri. as de foks dominy is, mei de boer syn goezzen wol neigean; Joos, 193; Waasch Idiot. 724: als de vos de passie preekt, boerkens, wacht uw ganzen; Rutten, 268 a; Antw. Idiot. 1402; Eckart, 132; 550; Wander I, 1252; hd. wenn der Fuchs (die Passion) predigt, so hüte Eure Gänse, so nimm die Hühner in acht; wenn der Fuchs die Gänse beten lehrt, so friszt er sie zum Lehrgeld; syn. van wenn der Wolf psalmodirt, gelüstet ihn der Gänse; eng. when the fox preaches, look after your geese; fr. quand le renard prêche aux poules, prenez garde à vous; quand le diable dit ses patenótres, il veut te tromperVoorstellingen van zulk een predikenden vos vindt men meermalen in kerken; zie Th. Wright, Histoire de la caricature et du grotesque dans la littérature et dans l'art, trad. p.O. Sachot, chap. V, p. 76 vlgg.; P.H.v. Moerkerken, de Satire in de Nederlandsche kunst in de Middeleeuwen, bl. 192..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut