Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gander - (mannetjesgans]

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gans 1 zn. ‘zwemvogel’ (Anser)
Mnl. gans ‘gans, zwemvogel’ [1240; Bern.], .i. gans. rou. gheplucht an .i. spit. ‘een gans, rauw, geplukt, aan een spit’ [ca. 1266; CG I, 130], wrsch. ook in de toenaam iohan goes ‘Johan Gans’ [1267; CG I, 109].
Mnd. gōs, gās; ohd. gans (nhd. Gans); nfri. goes, guos; oe. gōs (ne. goose); on. gás (nzw. gås); got. *gansus; < pgm. *gans-. (De Gotische vorm is een reconstructie aan de hand van Spaans ganso, dat aan het Gotisch moet zijn ontleend; de Visigoten speelden in Spanje een belangrijke rol tot ze in 711 door de Moren verslagen werden).
Daarnaast vormen met -t- in plaats van -s-, dus uit pgm. *ganta-: mnl. gent (zie onder); mnd. gante (nnd. gander); ohd. ganazzo, ganzo (mhd. ganze, ganzer, ganser: nhd. Ganser); oe. ganot ‘jan-van-gent’ (ne. gannet), gan(d)ra ‘mannetjesgans’ (ne. gander); aan een van deze vormen ontleend zijn de Latijnse vorm (bij Plinius) ganta ‘gans’ en Oudfrans gante.
Buiten het Germaans verwant met: Latijn ānser; Grieks (Ionisch, Attisch) khḗn (genitief khēnós), (andere dialecten) khā́n (genitief khānós); Sanskrit hamsá-; Litouws žąsis; Kerkslavisch *gǫsĭ ‘gans’ (Russisch gus', Pools gęś); Oudiers géis ‘zwaan’ (< *gansī); bij het wortelnomen pie. h(e)h2ns-. Gezien Germaanse formaties met -d- moet de -s- oorspr. een achtervoegsel zijn geweest.
Noordzee-Germaanse vormen (zonder -n- en met compensatierekking) zijn bewaard gebleven in eigennamen en plaatsnamen: Van Goesevoorde, Goesevoorde en Goes als toenaam of beroepsnaam. Voorts als spoor in Vlaams goezemoes ‘ganzemuur’ (een plant).
ganzerik 1 zn. ‘mannetjesgans’. Vnnl. ganzerik ‘id.’ [1599; Kil.]. Jonge vorming bij gans naar het model van Duits gänserich ‘id.’ [midden 16e eeuw; Pfeifer], dat zelf is gevormd naar het model van het oudere Enterich ‘mannetjeseend’, ontwikkeld uit ohd. anutrehho, letterlijk ‘eend-draak’, zie → eend en → draak. Zowel in het Duits als in het Nederlands is de woordvorm aangepast aan bestaande achtervoegsels: Duits -erich, Nederlands → -erik. ♦ gander zn. ‘mannetjesgans’ (gewest.). Nnl. gander ‘id.’ [1847; WNT wispeltuur]. Wrsch. ontleend aan Engels gander of Nederduits gander, ganner ‘id.’, beide mogelijk gevormd bij het woord voor ‘gans’ naar analogie van → kater bij → kat. ♦ gent zn. ‘mannetjesgans’. Mnl. ghent ‘id.’ in de persoonsnaam van Joh. de Ghent [1282; Debrabandere 2003], gent [1340-60; MNW-R]. Behorend bij de bovengenoemde Germaanse woorden uit pgm. *ganta-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gander* [mannetjesgans] {1847} nevenvorm van gent; afgeleid van de stam van gans1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gander znw. m. ‘mannetjesgans’, nnd. gander, ganner, oe. gandra (ne. gander), zuidhd. gander staat naast gent.

Beide woorden behoren bij de stam van gans en zijn verschillend gevormd; mogelijk is gander uit een germ. *ganra- af te leiden en dan op te vatten als een formatie voor het mannelijke dier, evenals kater naast kat (IEW 412).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gander m., + Ndd. id., Ags. ganra en gandra (Eng. gander), staat tot gan- (z. gans: de s schijnt suffix te zijn) als doffer tot duif en ḱater tot kat.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut