Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gamba - (soort violoncel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gamba 1 zn. ‘strijkinstrument’
Vnnl. te leeren speelen op ... de vyool de gambe [1624; WNT vreemd], viola di gamba “knie-vedel” [1654; Meijer]; nnl. Viool de Gambe ‘muziekinstrument met vier grote snaren’ [1701; WNT viola], Viola di Braccio word eigentlyk een Viool genaamt, die men op den arm houd, in onderscheiding van de Viola di Gamba [1734; WNT viola]; gambe, viool de gambe ‘knieviool, basviool’ [1824; Weiland].
Verkorting van viola da gamba, uit Italiaans viola da gamba, letterlijk ‘been-viola’ [voor 1647; DEDLI], eerder viola di gamba [1598; DEDLI], van viola ‘strijkinstrument’, zie → vedel, en gamba ‘been’ < Laatlatijn gamba, camba ‘poot, spronggewricht van paard’ < Grieks kampḗ ‘gebogen ledemaat, bocht’, hetzelfde woord als → kamp.
De gamba behoort tot de familie der viola's, die zich onder meer onderscheidt van de jongere familie der violen (→ viool, altviool, → cello en → contrabas) door het grotere aantal snaren (meestal 6 in plaats van 4), de oplopende schouders en de zijstandige schroeven, en door een andere stemming. De viola's zijn het resultaat van de ontwikkeling van oudere strijkinstrumenten als de rebec en de → vedel en werden gebruikt in de muziek van het eind van de 16e tot het eind van de 18e eeuw; tegenwoordig worden ze opnieuw gebouwd ten behoeve van de zogeheten authentieke uitvoering van die muziek. Binnen de familie der viola's neemt de viola da gamba ongeveer dezelfde plaats in als de cello in de familie der violen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gamba1, gambe [soort violoncel] {gambe 1824} < italiaans gamba, voor viola da gamba [lett.: viool van het been], namelijk tussen de benen gehouden (vgl. gambade).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

gamba s.nw.
1. Ses- of sewesnarige knieviool. 2. Orrelregister met 'n stryktoon soos dié van die gamba (gamba 1).
Uit Ndl. gamba (1624 in die vorm gambe in bet. 1).
Ndl. gamba uit It. gamba, 'n verkorting van viola da gamba 'viool van die been', met gamba uit Latyn gamba 'enkel', of in Ndl. self uit viola da gamba verkort. Die viool word so genoem omdat dit soos 'n tjello tussen die bene gehou word wanneer dit bespeel word.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gamba snaarinstrument 1824 [WEI] <Italiaans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut