Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gage - (salaris, soldij)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gage zn. ‘salaris, soldij’
Mnl. gaigen en wedden ‘bezoldigingen en salarissen’ [1478-79; MNW wedde]; vnnl. gagien (mv.) ‘betalingen voor optreden’ [1523; WNT Supp. afkorting], gayen (mv.) ‘salarissen’ [1530; MNW], gage ‘bezoldiging, loon’ [na 1538; MNW], ‘loon van scheepsvolk’ [1598; WNT zeenood], gagie ‘loon, bezoldiging’ [1599; Kil.].
Ontleend aan Frans gages (mv.) ‘loon’ [ca. 1155; Rey], gage ‘pand, onderpand, waarborg’ [12e eeuw; Rey], eerder in de vormen guage [ca. 1135; Rey], gwage [ca. 1130; Rey], dat zelf ontleend is aan frank. *waddi ‘(onder)pand’, zie verder → wedde en → wedden. Voor w- > g- in het Frans, zie → garde.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gage [loon] {gage, gaye 1530} < frans gage, uit het germ., vgl. gotisch wadi [pand]. De germaanse w wordt in het romaans g (vgl. garderobe, wedde, wedden).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gage znw. v., mnl. gage, gaye ‘bezoldiging, wedde’, Kiliaen gagie ‘merces, stipendium’ < ofra. gage naast wage < frank. *waddi ‘pand’, waarvoor zie: wedde.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† gage znw, laat-mnl. gage, gaye v. Evenals hd. gage v. (sedert 1616) uit fr. gage, dat ook in het Eng. (gage ‘pand’), De. en Zw. is ontleend. Over de oorsprong van het fr. woord zie wedde.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

gaasj (zn.) gage; Nuinederlands gage <1530> < Frans gage.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

gasie s.nw.
Loon van 'n arbeider.
Uit Ndl. gage (1530). Eerste optekening in Afr. by Mansvelt (1884) in die vorm gasi.
Fr. gage.
Vgl. Eng. wages.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

gasie: “loon”; Ndl. gage (vroeër ook gagie/gaadje, v. -asie) uit Fr. gage uit ged. verlat. regsterm in Germ. wette, gagium/gagia/guadium/guadia uit Lat. vadium (verb. m. Lat. vas (gen. vadis), “borg(tog)”; vgl. ook Eng. engage; v. ook wed.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

gage (Frans gage)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gage ‘loon’ -> Duits dialect Gadji ‘loon’; Indonesisch gaji ‘loon’; Ambons-Maleis gaji ‘loon’; Atjehnees gaji ‘loon’; Boeginees gâji ‘loon’; Jakartaans-Maleis gaji ‘loon’; Javaans gajih ‘loon’; Madoerees gāji ‘loon’; Makassaars gâji ‘loon’; Menadonees gaji ‘loon’; Minangkabaus gaji ‘loon’; Nias gazi ‘loon’; Soendanees gajih, gaji ‘loon’; Petjoh gadji ‘loon’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gage loon 1530 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut