Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gaffel - (tweetandige vork)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gaffel zn. ‘tweetandige vork’
Mnl. als familienaam: vore ... jhanne gaffelkine ‘voor Johan Gaffeltje’ [1284; CG I, 544]; ghavelen ‘houten vorken’ [1330-32; MNW], met yseren gaffelen ‘met ijzeren vorken’ [1415-35; MNW-R], gavel “vorcke” [1477; Teuth.]; vnnl. gaffel ‘vork’ [1599; Kil.].
Os. gafala, gaƀala, gaflia ‘gaffel’; ohd. gabala, mhd. gabal(e), gabele, mnd. gaffel(e) ‘graanvork’ (nhd. Gabel ‘vork’); oe. geafle, geafol, gafol ‘vork’ (ne. gaffle ‘boogspanner; ijzeren spoor van vechthaan’); < pgm. *gabló, echter alleen in de West-Germaanse talen.
Verwante woorden zijn er alleen in het Keltisch: Oudiers gabul ‘vork, galg’; Welsh gafl ‘gaffel’; Bretons gavl, gaol ‘gaffel’. Verdere etymologie onduidelijk. Misschien is ook verwant, zonder l-suffix, Oudiers gabhá- ‘kruis, spreidstand van dijbenen’. Latijn gabalus ‘galg, kruis, gevorkte boomstam’ (waaruit volgens sommigen zonder l-suffix Frans gaffe ‘vaarboom’ en Spaans gafa ‘kram, boogspanner’, gafas (mv.) ‘montuur, bril’) is uit een Keltische taal overgenomen. Verband met Grieks kephalḗ ‘hoofd’, wat zou duiden op verwantschap met → gevel, is niet waarschijnlijk. Hellquist oppert verwantschap met → gapen ‘wijd openstaan’. Gezien de geringe verspreiding en het betekenisveld ‘(houten) gereedschap’ zou dit ook een substraatwoord kunnen zijn.
Het leenwoord vork (< Latijn furca, zie → vork) heeft het gebruik van het woord gaffel in het Nederlands beperkt, in het Engels is het woord vrijwel helemaal verdrongen door fork. In het Duits en Zweeds eet men sedert de 17e eeuw echter met een ‘gaffel’, daar bestaat het woord Furke, resp. fork alleen in enkele dialecten. Het woord is in de Scandinavische talen een leenwoord uit het Nederduits.
In het Duits en het Nederlands kent men ook de gaffel als een onderdeel van het mastenstelsel van een schip; in het Duits is dit woord van oorsprong Nederduits.
gaffelbok zn. ‘driejarige reebok’. Nnl. gaffelbok ‘id.’ [1862; WNT]. Samenstelling met → bok. Genoemd naar het gaffelvormige gewei: als het bokje een jaar oud is, verschijnt een spits; in het volgende jaar komt er aan het nieuwe gewei een hoog geplaatste en naar voren gerichte spits bij en de reebok heet nu gaffelbok. Ook Hoogduits Gabelbock.
Lit.: M. Philippa (1994), ‘Eetgerei’, in: OT 63, 307

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gaffel* [tweetandige stok, vork] {gaffel, gavel [gaffel, vork] 1477, vgl. de persoonsnaam Jhanne Gaffelkine 1284} oudsaksisch gavala, oudhoogduits gabala (hoogduits Gabel), oudengels geafol; buiten het germ. iers gabul [vork, galg] → javelijn. De uitdrukking van de gaffel in de greep [van kwaad tot erger] is eig. ‘van de tweetandige vork in de drietandige vallen’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gaffel znw. v. ‘tweetandige vork; hooivork’ (vooral Geld. en N. Brab.) naast gavǝl, mnl. gaffel(e), gavel(e) ‘vork’, os. gafala, ohd. gabala (nhd. gabel), oe. geafl ‘vork’. — iers gabul ‘vork, galg, lies’, lat. (uit keltisch) gabalus ‘galg, kruis’ (IEW 409). — Dus alleen germaans en keltisch; verder geen zekere aanknopingen. — Zie: gebbe, maar vooral ook: gevel. — > me. gaffole (1947), ne. gaffle ‘haak voor het spannen van de voetboog’ (vgl. Toll 35).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gaffel znw., dial. (Achterh., Vel., Kampen, Bommelerwaard, N.Brab.) ook gāvəl, in sommige streken beide vormen (vgl. bezem). Uit mnl. gaffel(e), gāvel(e) m. (v.?) “vork”, = ohd. gabala v. (nhd. gabel), os. gafala (en gaflia) v., ags. geafl v. “vork”, germ. *ʒaƀlô-, waarnaast misschien nog *ʒaƀla- in ags. gaful-, -el- als eerste compositielid. Voor de scherpe ff in de verdubbeling onmiddellijk vóór l vgl. snuffelen. ’t Naast verwant met ier. gabul “vork, galg, lies”, lat. (uit ’t Kelt.) gabalus “galg, kruis”, met andere formantia: oi. gábhasti- “gevorkte dissel, voorarm, hand, straal” (ook gabhȧ́- “vulva”?), arm. gavak “bil van een paard en andere dieren”, misschien ook russ. gáči “lende, dij, broek” (*ghâbh-tjâ-?). Niet onmogelijk is de combinatie van al deze woorden met de basis ghā̆bh-”grijpen, vatten”, waarvan lat. habeo “ik heb”, witruss. habácˊ (ook in andere talen; oerslav. *gabati) “grijpen’’, lit. gabanà “armvol”, gobė́ti “begeeren”; de bett. “vork” en “vatten, omvatten” zijn wel te combineeren: vgl. spa. tenedor “vork”: tener (= lat. tenêre). Vgl. geven.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

gaffel. Het is niet gewenst, buiten het Germ. verder te combineren dan met ier. gabul, gall.-lat. gabalus. Wat verder volgt, is te onzeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gaffel v., Mnl. gaffele, Os. gafala + Ohd. gabala (Mhd. en Nhd. gabel), Ags. gafol (Eng. gaffle), Zw. en De. gaffel + Skr. gabhastiṣ, Lat. gabalus (= galg), Ier. gabul, Bret. gebel, verwant met gabben en gapen: de tweetandige vork gelijkt een gapenden mond. Uit Kelt. of Germ. Fra. javelot.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

gaffel. De verwensing krijg stront aan je gaffel! werd opgegeven voor Hengelo (Ov.). Met gaffel kan bedoeld worden ‘mond’, maar ook ‘mannelijk geslachtsorgaan’. De emotionele betekenis drukt walging en afkeer uit. → stront.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gaffel ‘tweetandige stok, vork, rondhout tegen de achterkant van een mast’ -> Engels † gaffle ‘spanhaak van een kruisboog; musketvork; stalen spoor voor hanengevechten’; Duits Gaffel ‘rondhout tegen de achterkant van een mast’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens gaffel ‘vork’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors gaffel ‘vork; tweetandig rondhout op zeilschip’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds gaffel ‘vork; rondhout tegen de achterkant van een mast’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins kahveli ‘hooivork, eetvork, scheepsgaffel’ ; Ests kakvel ‘rondhout tegen de achterkant van een mast’ (uit Nederlands of Nederduits); Pools gafel, blindgafel, gaflowy ‘rondhout tegen de achterkant van een mast’; Russisch gáfel' ‘rondhout tegen de achterkant van een mast’; Bulgaars gafel ‘rondhout tegen de achterkant van een mast’ ; Lets gafele ‘rondhout tegen de achterkant van een mast’ (uit Nederlands of Nederduits); Litouws gafelis ‘rondhout tegen de achterkant van een mast’; Esperanto gafo ‘rondhout tegen de achterkant van een mast’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gaffel* tweetandige stok, vork 1477 [Teuth.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

589. Van de gaffel in de greep vallen,

d.w.z. van den tweetand in den drietand (= drietandige vork) vallen; dus van kwaad tot erger; vgl. Tuinman I, 298: Van de gavel in de greep, dit drukt uit van kwaad tot erger vervallen. In het Geldersch: van de gavel in de greepe loopen (Gallée, 15 a; Dr. Bl. III, 45; V. Schothorst, 131). Vgl. van den wal in de sloot; van den regen in den drop; iemand van bed op stroo helpen (Tuerlinckx, 248); van Scylla in Charybdis; van 't vagevuur in de hel, enz.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut