Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gading - (genoegen, lust)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gading zn. ‘genoegen, lust’
Mnl. gadinghe [1375; Stall. I], almans gadinge ‘(naar) ieders zin’ [1390-1443; MNW], hi souder sijn gadingh of maken ‘hij zou er zijn voordeel mee doen’ [1390-1443; MNW], elc man sijn eygen gading ‘iedereen zoveel hij wil’ [1412-15; MNW]; nnl. van je gading ‘naar je zin’ [1854; WNT vreedzaam].
Afleiding met → -ing van het mnl. werkwoord gaden, gaeyden ‘overeenkomen, passen, voegen, zich verenigen’, zie → gade.
Mhd. gatunge [15e eeuw; Kluge] (nhd. Gattung).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gading* [lust] {gadinge, gayinge [paring, lust, kooplust, gading] 1312} van middelnederlands gaden [bevallen], van gade.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

gading

Dat is naar of van mijn gading wil zeggen: dat trekt mij aan, daarin heb ik zin. Men moet uitgaan van het woord gade in de betekenis: gelijke, dat nog leeft in het woord: wedergade. Later gaat gade ook betekenen: echtgenoot (Duits: Gatte). Het werkwoord gaden dat hierbij hoort, beduidt: voegen, passen, verenigen, bevallen. Hiervan is gading afgeleid in de zin van: datgene wat overeenstemt met iemands wens. Wij kennen nog de zegswijze: dat is geen allemansgading voor: dat is tamelijk duur. Verwant zijn woorden als: tegader (Engels: together) en het werkwoord garen, waarvan brievengaarder: postbode is afgeleid. Het Engels kent: to gather voor: bijeenbrengen, verzamelen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gading znw. v., mnl. gadingh(e) ‘paring; welbehagen; kooplust’, afgeleid van gade.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gade znw., mnl. gāde naast gewoner ghegāde m. (v.) “genoot, gelijke, echtgenoot”. = mhd. gegate, gate m. “genoot, gelijke” (zelden “echtgenoot”, zooals nhd. gatte), os. gigado m. “gelijke”, ags. gegada m. “gezel”. Wgerm. *ʒi-ʒadan- is de zwakke vorm van *ʒi-ʒada-, ohd. gegat “verbonden, gelijk, passend bij iets”. Hierbij ’t ww. mnl. gāden “bevallen, conveniëeren, zich bekommeren om, vereenigen, voegen, in een toestand brengen, toestaan” — waarvan mnl. gādingh(e) v., nnl. gading —, ohd. gatôn (in be-gatôn “treffen”), mnd. gāden “bevallen, conveniëeren, goed inrichten”, (refl.) “zich paren”, ofri. gadia (refl.) “handgemeen worden”; vgl. verder ndl. (te)gader, mnl. (te) gāder(e) = mhd. gater, mnd. gad(d)er, ofri. gadur, gader, ags. geador “samen” (ook met mhd. ze-, mnd. ofri. ags. tô- samengesteld; eng. together), waarvan weer mnl. gāderen, nnl. gaderen, garen - waarvan (brieven)gaarder -, mhd. gatern, mnd. gad(d)eren, ofri. gaduria, gaderia, gadria, ags. gaderian (eng. to gather) “bijeenbrengen”. In de bet. “bloedverwant” komt voor: got. gadiliggs, mnl. ghēdelinc, ohd. gatuling, os. gaduling, ags. gœdeling m. De germ. basis ʒað-, idg. ghadh- of ghodh- “geschikt zijn, goed uitkomen, passen bij” komt ook in ’t Slav. voor: obg. godŭ “(geschikte) tijd”, vŭ godě byti “conveniëeren, bevallen”. Lit. woorden van deze basis zooals gãdytis “gebeuren” komen uit ’t Slav.; lit. gůda “eer” kan oerverwant zijn. Zie nog goed.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

gading. Adde: ofri. gadinge v. (ontl.?) ‘neiging, lust’, mnd. gādinge v. ‘behagen, neiging; soort’, mhd. gatunge (hd. gattung) v. ‘soort’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gading v., van Mnl. gaden (z. gaaien) = overeenkomen, belang stellen in, behagen hebben aan, afgel. van gade.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

gading: in Afr. hoofs. boekw., “genoeë, lus, sin”; Ndl. gading (Mnl. gadinge/gayinge/gaïnge/ga(a)iing, afl. v. ww. gaden, “paar”, dus “paring”), hou verb. m. Hd. gattung, “soort”, eint. bevrediging v. “neiging tot sy soort”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gading ‘wat iemand bevalt, soort’ -> Frans dialect gadin ‘soort’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gading* lust 1312 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

588. Van iemands gading zijn,

d.w.z. naar iemands zin zijn, iets kunnen gebruiken. Het znw. gading is gevormd van het nog niet geheel verouderde werkw. gaden, dat de beteekenis heeft van overeenstemmen met iemands neigingen, behagen, genoegen, lust, zin. Vroeger zeide men ook in dezen zin van iemands gewei (eig. voedsel, aas) zijn. Zie het Ndl. Wdb. IV, 132 en 2030; Schuermans, 135 a: Mnl. Wdb. II, 871; Plantijn: Gaeyinge hebben ergens in, avoir affection ou plaisir de quelque chose; Tuinman I, 210; V. Janus, 3, 15; Halma, 147: Hij heeft gading of zin in dat stuk, il a envie de ce tableau; fri. yens gading fine, zijne gading vinden. Niet onbekend is ook de uitdr. gading naar iets maken in de bet. zin in iets hebben, ergens naar dingen; fri. gading oan dit of dat meitsje.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut