Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gade - (echtgeno(o)t(e))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gade zn. ‘echtgeno(o)t(e)’
Mnl. gegade ‘echtgenoot, partner’ [1200; CG II, Servas], gegade ‘gelijke’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], ghegaet ‘id.’ [1390-1410; MNW-R], daarnaast zonder voorvoegsel: gade ‘echtgenoot, partner’ [1357; MNW gade], gaye ‘mannetje of wijfje van een dier’ [1485; MNW gaye]; vnnl. gadei, gaeye ‘partner van een vogel’ [1599; Kil.], gade ‘echtgenote’ [1654; WNT], eens konings dochter, die geen gade in schoonheit kent ‘die haars gelijke ... niet kent’ [1663; WNT].
Zelfstandig gebruik van het bn. ghegaeyt ‘verbonden, gelijk, passend bij’ (niet eerder geattesteerd dan 1561; MNW gaden], oorspr. het verl.deelw. bij mnl. gaden, gaeyden ‘overeenkomen, zich verenigen, passen, voegen’. Zie ook → eega, → gadeslaan, → gading, → gegadigde, → weerga.
Os. gigado; ohd. gegate ‘genoot’, mhd. (ge)gate (nhd. Gatte ‘echtgenoot’); nfri. geade ‘gelijke; echtgenoot, -genote’; oe. (ge)gada ‘gezel’. Bij het werkwoord mnl. gaden horen: mnd. gaden, ‘passen, bevallen, zich verenigen’; ohd. bigaton (mhd. gaten ‘samenkomen, passen’); ofri. gadia ‘verenigen’; < pgm. *gad-ōn-.
Pgm. *gad-ōn is verwant met Oudkerkslavisch godŭ ‘passende tijd’ (Russisch god ‘jaar’), godĭnŭ ‘passend, bevallend’ (Russisch gódnyj ‘passend’), misschien ook met Litouws goda ‘eer’; hierbij is een wortel pie. *ghedh- (IEW 424) te reconstrueren. Misschien bestaat er ook verwantschap met → goed 1. Het ontbreken van zekere Indo-Europese verwanten, behalve in het Balto-Slavisch, lijkt erop te wijzen dat dit substraatwoorden zijn.
Verwant is verder nog mnl. gader ‘verbinding’, waaruit de voorzetselgroep te gader ‘gezamenlijk’ ontstond, die ook is terug te vinden in Engels together ‘id.’; zie verder → allegaartje en → vergaderen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gade* [echtgenoot, echtgenote] {gade [één van een paar, echtgenoot, echtgenote] 1357, naast gegade, gegaet [genoot, gelijke, mannetje of wijfje] 1276-1300} oudsaksisch gigado [gelijke], middelhoogduits (ge)gate (hoogduits Gatte), oudengels gada [gezel], van een bn., oorspr. verl. deelw., vgl. middelnederlands gegaeyt, van een ww. middelnederlands gaden [zich paren met, behoren bij], middelnederduits gaden [passen], oudfries gadia [handgemeen worden], oudkerkslavisch godŭ [(gunstige) tijd], russisch god [jaar].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gade znw. m. v., mnl. gade; gewoner ghegade ‘genoot, gelijke, echtgenoot’, os. gigado ‘gelijke’, mhd. gegate, gate ‘genoot, gelijke’ (zelden ‘echtgenoot’ vgl. nhd. gatte), oe. gegada ‘gezel’. Gesubstantiveerde vorm van een adj. zoals ohd. gegat ‘verbonden, gelijk passend bij’. Vgl. nog os. gaduling, oe. gædeling ‘stamgenoot’, got. gadiliggs ‘bloedverwant’. Behoren bij het ww. mnl. gaden ‘bevallen, passen, zich bekommeren om, verenigen e.a.’, mnd. gaden ‘bevallen, passen, (refl.) zich paren’, ohd. gatōn (in be-gatōn ‘treffen’), mhd. gaten ‘samenkomen’, ofri. gadia ‘handgemeen worden’. — osl. godŭ ‘gunstige tijd’, godĭnŭ ‘aangenaam’, goditi ‘aangenaam zijn’ (IEW 423). — Zie verder: gader, gading, garen 2 en goed.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gade znw., mnl. gāde naast gewoner ghegāde m. (v.) “genoot, gelijke, echtgenoot”. = mhd. gegate, gate m. “genoot, gelijke” (zelden “echtgenoot”, zooals nhd. gatte), os. gigado m. “gelijke”, ags. gegada m. “gezel”. Wgerm. *ʒi-ʒadan- is de zwakke vorm van *ʒi-ʒada-, ohd. gegat “verbonden, gelijk, passend bij iets”. Hierbij ’t ww. mnl. gāden “bevallen, conveniëeren, zich bekommeren om, vereenigen, voegen, in een toestand brengen, toestaan” — waarvan mnl. gādingh(e) v., nnl. gading —, ohd. gatôn (in be-gatôn “treffen”), mnd. gāden “bevallen, conveniëeren, goed inrichten”, (refl.) “zich paren”, ofri. gadia (refl.) “handgemeen worden”; vgl. verder ndl. (te)gader, mnl. (te) gāder(e) = mhd. gater, mnd. gad(d)er, ofri. gadur, gader, ags. geador “samen” (ook met mhd. ze-, mnd. ofri. ags. tô- samengesteld; eng. together), waarvan weer mnl. gāderen, nnl. gaderen, garen - waarvan (brieven)gaarder -, mhd. gatern, mnd. gad(d)eren, ofri. gaduria, gaderia, gadria, ags. gaderian (eng. to gather) “bijeenbrengen”. In de bet. “bloedverwant” komt voor: got. gadiliggs, mnl. ghēdelinc, ohd. gatuling, os. gaduling, ags. gœdeling m. De germ. basis ʒað-, idg. ghadh- of ghodh- “geschikt zijn, goed uitkomen, passen bij” komt ook in ’t Slav. voor: obg. godŭ “(geschikte) tijd”, vŭ godě byti “conveniëeren, bevallen”. Lit. woorden van deze basis zooals gãdytis “gebeuren” komen uit ’t Slav.; lit. gůda “eer” kan oerverwant zijn. Zie nog goed.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

gade. Adde: ofri. gada m. ‘echtgenoot’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ga m. en v., samentrekking van gade na uitstooting der d.

gaai 1 m. en v.(gade), samentr. van gade.

gade m. en v., Mnl. ghegade, Os. gigado Mhd. gegate, gate (Nhd. gatte), Ags. gegade, gada + Lit. gadas = overeenkomst; staat tot goed als varen tot voeren; van denz. oorsprong ook gader; de bet. zijn: passend, bijeenhoorend, gelijke, genoot; — voor weggevallen ge-, vergel. boer, maat.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

gaand, zn.: weerga, partuur. Met epenthetische n – mede door associatie met gaan – uit Mnl. gade ‘de een van een paar’, ww. gaden ‘zich paren met, passen, behoren bij’. Afl. Mnl. wedergade ‘evenbeeld, weerga’, gegade ‘gelijke’, Os. gigado ‘gelijke’ . De gade ‘echtgenoot’, D. Gatte is degene die past bij. Uit Idg. *ghadh ‘verenigen’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

gade II: nog in kompo. gadeslaan, “ag slaan, oplet, waarneem”; Ndl. gadeslaan (sedert Lmnl. – na vb. v. achte slaen uit afg. ww. begaden met hoër frekws. as die simp. gaden, “sorg vir”, maar ook “aandag of ag gee aan”) – mntl. verb. m. gade I, maar aard daarvan enigsins duister.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Gade, gaderen, garen, te gader. De wortel van deze woorden drukt een „bijeenbehooren” uit en komt ook voor in goed (= passend bij); vgl.: „Wanneer sy merckte, dat onse salige (= overleden) moeder wat had, rock of pels, dat haar gaeden (= gaadde = paste, beviel), dat wolt sy dan hebben.” ’t Woord gade (echtgenoot) was oorspr. gegade, dat toenmaals ook makker bet., en waarin ge = samen, dus letterlijk: samenpassende; later verloor het woord ’t voorvoegsel, zie bijv. Boer; als verkleinwoord komt gaaike voor. Van gaden = passen, geschikt zijn, hebben wij nog gading, bijv. bij verkoopingen leest men „die hierin gading hebben”. – Dat is iets van zijn gading.
In gadeslaan bet. gade: zorg.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gade* echtgenoot, echtgenote 1357 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal