Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gaar - (voldoende toebereid; afgemat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gaar bn. ‘voldoende toebereid; afgemat’
Onl. garo herta min ‘mijn hart is gereed, bereid’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. mit herten gaer ‘met een gereed, bereidwillig hart’ [1469-80; MNW]; vnnl. ghaer broot ‘voldoende gebakken brood’ [1532-36; MNW], gaer maecken ‘gaar koken’ [1599; Kil.]. Nnl. gaar, ook ‘afgemat’ [1884; van Dale].
Os. garu, ohd. garo ‘gereed, toegerust, geheel’, mhd. gar (nhd. gar), mnd. gār(e); oe. gearu, gearo (ne.dial. yare ‘klaar, gereed’); on. gerr, görr, gjörr, gørr ‘gereed’, ode. (runisch) kaurua, ozw. (runisch) karuR; < pgm. *garwa- ‘gereed’.
Daarnaast bestaat het werkwoord onl. gerwon ‘klaarmaken, bereiden’ [10e eeuw; W.Ps.], waarbij: os. gerwian, garuwian, giriwian, ohd. garawen ‘klaarmaken, toebereiden’, mhd. gerwen ‘klaarmaken, toebereiden, looien, bekleden’ (nhd. gerben ‘looien’); oe. gearwian, gierwan ‘toebereiden, koken’, on. gera, gørva ‘maken, doen’ (nzw. göra). Zie ook → gist.
Verdere etymologie onzeker. Er bestaat een theorie dat pgm. *garwa- van *ga-arwa- komt; *arwa- vinden we dan terug in os. aru ‘gereed, rijp’, oe. earu ‘gereed, klaar’, on. örr ‘vrijgevig, mild’, welke teruggaan op pie. *h1er-/*h1or- ‘zich in beweging zetten’ (IEW 326-330), zie → rijzen. Daarnaast bestaat de theorie dat pgm. *garwa- een grondbetekenis ‘toebereid, gekookt’ heeft en teruggaat op pie. *gwhor-uo-, bij de wortel *gwher- ‘warm worden’, zie → thermo-.
In het mnl. en nog lang daarna kon gaer als bijwoord ook nog ‘geheel en al’ betekenen [1480; MNW], net als Hoogduits gar, zie ook helegaar onder → helemaal.
Een halve gare is iemand die niet helemaal in orde, niet helemaal goed wijs is, zoals een half gaar gerecht niet in orde is: een halfgare jongen [1887; WNT halfgaar].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gaar* [voldoende toebereid] {oudnederlands garo 901-1000, middelnederlands gaer [gereed, gaar]} oudsaksisch, oudhoogduits garo [gereed], oudengels gearu (engels yare), oudnoors gerr [gereed] (vgl. gearing); etymologie onbekend → gerwe.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gaar bnw., mnl. gaer (zelden) ‘gereed, gaar’, als bijw. ‘geheel en al’, onfrank. garo ‘gereed’, os. garo, garu ‘gereed’, ohd. garo ‘gereed, toegerust, volledig’, oe. gearu (ne. yare) ‘gereed’, on. gerr, gørr, gjǫrr ‘gereed, volmaakt’ uit een germ. *garwa-, garwia- ‘gereed’. Daarnaast het ww. os. gerwian, garuwian, giriwian, ohd. garawen ‘klaar maken, toebereiden’, mhd. gerwen ook ‘looien, bekleden’, oe. gearwian, gierwan ‘toebereiden, koken’, on. gera (met vele nevenvormen, zie AEW 163) ‘maken, doen, bereiden’.

De etymologie is onzeker. De oude verklaring uit *ga-arwa, vgl. os. aru ‘gereed’, oe. earu ‘vaardig, vlug’, on. ǫrr ‘vlug, mild’ (Kauffmann PBB 20, 1895, 530) is weinig bevredigend. Gaat men van het evenwel onzekere vermoeden uit, dat de grondbet. ‘koken’ zou zijn, dan kan men vergelijken oi. haras ‘gloed’, ghṛná- m. ‘hitte, gloed’, av. garǝma- ‘heet’, gr. thermós ‘warm’, lat. formus ‘warm’, oiers fo-geir ‘verwarmt’, osl. goritǐ, gorěti ‘branden’, maar dan stuit men op de ontwikkeling van gh > germ. g (zie ook J. de Vries, Feestb. v. d. Wijer 1944, 144-7).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gaar bnw., mnl. (zelden) gaer “gereed, gaar, (in samenst.) in goeden staat, bereidwillig”, als bijw. (onder du. invloed?) “geheel en al”. = onfr. garo “paratus”, ohd. garo “gereed, toegerust, volledig, geheel” (nhd. gar), os. garo, -u, ags. gearu (eng. yare) “gereed”, on. gerr, gørr, gjǫrr “gereed, volmaakt”, germ. *ʒarwa-, -wia- “gereed”. Hiervan ’t ww. mnl. gherwen “in orde brengen, tooien, looien” (nog vla. gerven “looien”), onfr. gerwan, -on “(prae)parare, ornare”, ohd. garawen “gereed maken, uitrusten” (nhd. gerben “looien”), os. gerwian, ags. gierwan “id.”, on. ger(v)a, gør(v)a “maken, doen”. *Garwa- is wsch. niet gevormd uit *ʒa-+ *arwa- (os. aru “gereed”, ags. earu “vaardig, vlug”, on. ǫrr “vlug, mild”), maar veeleer = *ʒar-wa- (een formatie als oi. pak-vá- “gekookt, gaar, rijp”. De bet. “bereid, gereed” kan van allerlei grondbett. zijn uitgegaan. Daarom is de combinatie met ĝher “vatten” (zie gordel) mogelijk, hoewel hypothetisch. Zie nog gerfschaaf.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gaar 1 bijv.(genoeg), Mnl. gaer, Onfra. garo, Os. garu + Ohd. garo (Mhd. en Nhd. gar), Ags. gearu (Eng. yare), On. gǫrr, wellicht samenstelling met praefix ge- en *aar, Os. aru, Ags. earu, On. ǫrr = gereed. De vormen garu, garo, gearu zijn vocaliseeringen van garw, waarover vergel. geel; z. ook gerfkamer.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

gaar neet (bijw.) helemaal niet; < Duits gar nicht.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

gaar b.nw.
1. (t.o.v. kos) Voldoende gebak, gebraai, gekook of gerooster. 2. (t.o.v. klei, stene of porselein) Deur hitte, bv. 'n vuur, geskik of gereed gemaak vir gebruik. 3. (t.o.v. velle) Voldoende gebrei of gelooi. 4. Deur die son verskroei of verbrand. 5. (t.o.v. klere of skoene) Deurgeslyt, stukkend, voos. 6. Dronk.
In bet. 1, 2, 3 en 4 uit Ndl. gaar (al Mnl.). Bet. 5 en 6 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekeninge in Afr. in bet. 1, 2 en 4 by Pannevis (1880) en in bet. 3 by Mansvelt (1884).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

gaar I: “genoeg vir ete gebak, gebraai, gekook”, ens.; Ndl. gaar (Mnl. gaer), Hd. gar, Eng. (arg. en dial.) yare, “gereed; gou”, blb. hoofs. Germ.

gaar III: “geheel en al”, dies. as gaar I, veral in Hd. en Eng. bet. “geheel en al; gereed”; in Ndl. as bw. v. graad (nog by vRieb gaer weynich) wsk. onder invl. v. Hd., maar tans enigsins veroud.; v. gansegaar.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

gaar. Mijn vader (1902-1966) gebruikte als hij verontwaardigd was over het zelfgenoegzame gedrag van iemand uit zijn omgeving smoor jij maar gaar in je eigen vet! of laat-ie in zijn eigen vet gaar smoren! De letterlijke betekenis van smoren ‘met weinig vocht (en vet) in een gesloten pan gaar worden’ is in deze algemeen gangbare verwensing vervaagd tot een emotionele die onverschilligheid jegens iemand, afkeer en weerzin uitdrukt. Als iemand deze vloek gebruikt, geeft hij aan dat hij zich niet langer met betrokkene wil bemoeien en hem aan zichzelf wil overlaten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gaar ‘voldoende toebereid, van voedsel’ -> Zweeds gar ‘gereed voor gebruik (m.b.t. metaal, gips of modder); toestand van huid die tot leer verworden is; doorgewinterd’ (uit Nederlands of (Neder- of Hoog-)Duits); Frans dialect garloper, gairloper ‘koken met pauzes’; Petjoh gaar ‘gek, niet normaal’; Negerhollands gaar ‘voldoende toebereid’; Sranantongo gari ‘voldoende toebereid, van voedsel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gaar* voldoende toebereid 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1669. Onbekookt.

Eig. van spijzen niet door koken tot voldoende gaarheid gebracht; overdr. van gevoelens, meeningen, plannen enz. niet rijpelijk doordacht, oppervlakkig; zie Ndl. Wdb. II, 1615; X, 979 en vgl. fri. on-, unbikôge, ondoordacht; V. Janus, 364: halfbekookte plannen; het lat. coquo, koken, overleggen, overdenken, en ons bvn. gaar op personen toegepast in een gare kerel, d.i. een slimmerd, een die van zessen klaar is, en halfgaar (simpel); zie no. 587 en vgl. fr. mal digéré.

587. Gaar zijn,

d.i. geslepen, uitgeslapen zijn ‘van personen in toepassing op de vaardigheid van allerlei voorkomende zaken te behandelen, of de gevatheid om zich in verschillende aangelegenheden er door te helpen; geschikt voor alles, van zessen klaar, bij de pinken’ (Ndl. Wdb. IV, 99); fr. être cuit et recuit. Algemeen in Noord-Nederland bekend; zie Bergsma, 117: good gaar, uitgeslapen; half gaar, onnoozel = veur in d'oven bakken, van de schussel vallen (bij het in den oven zetten), neet good of recht geer; Gunnink, 131; V.d. Water, 66: Zoo gaar als enen dauw, zoo slim, zoo geslepen mogelijk; Gallée, 12; Weiland, 56: Die man is gaar of er gaar voor, hij is op alles afgeregt; Boekenoogen, 1309: Hij is gaar op den koek, hij is gaar, slim, geslepen, glad; evenzoo in 't fri. gear for de koek; in geare kearel; hiernaast halfgaar, simpel (vgl. Nkr IV, 31 Juli p. 2: Boeren, burgers, kunstenaren, halve-garen en zoo voort; Sjof. 237: Half gare brasems) of halfgebakken (reeds 17de eeuw), eng. half-baked; vgl. Molema, 143: t'Is maar 'n half-gebakken, hij is maar onnoozel; Claes, 66: half gebakken, half gek; Rutten, 305: halfgebakken, die getikt is; Waasch Idiot. 273: halfgebakken, sul; Teirl. II, 10: halfgebakken, halfgedraaid, onnoozel. Ook in de 17de eeuw niet gaar gebakken zijn (Brederoo, Moortje, 1581). (Aanv.) Synoniem is half zacht zijn.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut