Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gaai - (inheemse kraaiachtige vogel (Garrulus Glandarius); kort voor Vlaamse gaai)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gaai zn. ‘inheemse kraaiachtige vogel (Garrulus Glandarius); kort voor Vlaamse gaai’
Mnl. dies es hi garrulus ghenamt, een gai hetet int duutsce lant ‘daarom wordt hij garrulus genoemd, gaai heet hij in Nederlands gebied (in de volkstaal)’ [1287; CG II, Nat.Bl.D]; nnl. gaai ‘id.’ [1766; WNT].
Ontleend aan Oudpicardisch gai ‘Vlaamse gaai’ [1170; Rey], naast Oudfrans jai [1175; Rey] (Nieuwfrans geai, Engels jay), ontwikkeld uit Laatlatijn gaius ‘id.’. Verdere herkomst onzeker. Wrsch. een klanknabootsend woord. Ook de Latijnse wetenschappelijke benaming garrulus ‘de luidruchtige, de babbelzieke’ is een afleiding van het Latijnse klanknabootsende werkwoord garrīre ‘babbelen, kletsen; lawaai maken van vogels’.
Een andere mogelijkheid is vernoeming naar de Latijnse naam Gāius, zoals wel meer vogelnamen gebaseerd zijn op of overeenkomen met persoonsnamen, bijv. wouter ‘Vlaamse gaai’, piet ‘kanarie’, Engels robin ‘roodborstje’, Frans pierrot ‘mus’, jacquot ‘papegaai’. Af te wijzen is ook de etymologie van Vercoullie (1890, niet meer in 1925), die ervan uitgaat dat Oudfrans gai ‘gaai’ hetzelfde woord is als het Franse bn. gai ‘levendig, vrolijk; schoon, bont’, dat ontleend is aan Frankisch *wāhi ‘blinkend, mooi’, waarbij ohd. wāhi ‘sierlijk, fraai’, zie ook → gay. Een gaai zou dan een ‘bonte vogel’ zijn. Vanwege Laatlatijn gaius is deze hypothese af te wijzen, maar er kan wel van volksetymologische invloed sprake zijn.
De gaai is ook wel bekend als verkorting voor Vlaamse gaai, de enige in de Lage Landen voorkomende gaaiensoort. Een verklaring voor de toevoeging Vlaamse ligt niet in de herkomst van de vogel; de gaai komt immers over het gehele Euraziatisch continent voor. Een mogelijkheid is dat de Franse naam gai flammant, een verwijzing naar de vlammende kleuren van zijn verenkleed, is geïnterpreteerd als een verwijzing naar zijn verblijfplaats en is vertaald als vlaamse gaai.
Andere, gewestelijke namen voor de Vlaamse gaai zijn → meerkol en wuit of wout.
Lit.: P.J. Meertens (1949), ‘Vogelnamen. I. De Gaai’, in: Taal en Tongval 1, 97-104

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gaai [vogel] {ga(e)y 1287} < picardisch gai (frans geai) [idem] < laat-latijn gaius, klanknabootsende vorming, maar geïdentificeerd met de lat. persoonsnaam Gaius; de Vlaamse gaai kreeg ook in het nl. een persoonsnaam: wouter; het verschijnsel komt vaker voor, vgl. engels robin [roodborstje], martin [huiszwaluw], frans colin [Amerikaanse kwartel], martinet [gierzwaluw], ook ons (kanarie)pietjeparkiet.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gaai znw. m. ‘vogelnaam’, door Maerlant als een frans woord vermeld en inderdaad < pikard. gai = fra. geai < vulg. lat. gajus, dat men niet meer als de lat. PN Cajus opvat, maar eerder als een klanknabootsend woord (Gamillscheg 464).

Voor de dialectische vormen zie de taalkaart van P. J. Meertens, Taalatlas afl. 6, 5. en verder kaart Nr. 14 van K. Heeroma, Taalatlas van Oost-Nederl., waaruit blijkt dat markolf de naam is in Overijsel, Gelderland en Brabant, terwijl heger, hegert voorkomt in Friesland, Groningen, Noord-Holland en elders, dit is eig. een woord voor de reiger, vgl. mnd. heger (zie daarvoor: reiger).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gaai (Vlaamsche g.) znw. Door Maerlant een fr. woord genoemd. Uit pic. gai = fr. geai (waaruit eng. jay) “gaai”; dit uit lat. gajus “id.” = Gajus eigennaam: vgl. ndl. wouter. De andere ndl. namen (o.a. wouter, meerko1, zuidndl. wiewouter, roetaard, hanne, hannewuite) zijn in deze bet. jonger dan gaai. Maerlant noemt alleen fr. gai en lat. garrulus.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gaai 2 m. (vogel), Mnl. gay, gelijk Eng. jay, uit Fr. geai (dial. gai), dat met Sp. gayo, van Mlat. gaium (-us), misschien de persoonsnaam Gaius.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Gaai Synoniem voor Vlaamse Gaai(1).
(2) Algemene naam voor veel leden van de Kraaienfamilie Corvidae, nl. die welke niet tot de Kraaien, Eksters of Notenkrakers behoren. Vanwege deze dubbele betekenis zou het wenselijk zijn te weten hoeveel steun er in onze taal (al of nog) is voor de naam Gaai als synoniem voor Vlaamse Gaai teneinde Vlaamse Gaai zijn status als officiële N vogelnaam terug te geven.
(Gaai te beschouwen als officiële N vogelnaam moet ergens tussen 1987 en 1989 begonnen zijn; vgl. Berg 1987 (“Vlaamse Gaai”) en Berg 1989 (“Gaai”)).
In de Lage Landen is de Vlaamse Gaai de enig voorkomende Gaai. In Noord-Europa komt daarnaast de Taigagaai of Ongeluksgaai ↑ voor. De meeste andere Gaaien zitten in de Nieuwe Wereld.
ETYMOLOGIE Gaai Gay, gaey [MH] gai [JvM c.1266] (>F Geai) gaia/gaius (5e eeuw) of Gaia/Gaius; de laatste is een populaire romeinse voornaam voor een manspersoon, die veel (na)praat [C&C 1995]. Daarnaast, of volgens sommigen uitsluitend [Lockwood 1993; Gamillscheg in De Vries 1992], kan gaius ook klanknabootsend zijn opgetreden. Vgl. F jaser ‘babbelen van een Vlaamse Gaai’ en F gazouiller (1316) ‘kwinkeleren, kwetteren, sjilpen’. F gai ‘vrolijk’ wordt anders uitgesproken en uitsluitend als bnw. gebruikt, heeft daarom niet veel met de Gaai van doen. E/Am Jay (*jai [Lockwood 1993]) in zowel betekenis (1) als (2) heeft mogelijk betekenis (1) in het N gestimuleerd. In het F heeft ws. ook de langere naam Geai des chênes in betekenis (1) de voorkeur. Catalaans Gaig ‘Vlaamse Gaai’ is misschien ook van Gaius afkomstig, evenals It Gazza ‘Ekster’ [Migliorini & Duro 1958; Brugge 971119] (maar zie hiervoor ook sub Ekster), portugees Gaio en Sp Gayo [NAE 1958] idem, maar Sp Grajo ‘Roek, Vlaamse Gaai’ van grajear ‘krassen’ en It Ghiandaia <ghianda ‘eikel’. D Häher hehara *krikr “lautmalend” naar het geschreeuw van de vogel, heeft dus een andere etymologie.

Vlaamse Gaai Garrulus glandarius (Linnaeus: Corvus) 1758. Zie ook Gaai. “Vlaamsche Gaay” is de gangbare N naam bij Houttuyn 1762 (p.313-314). Een oudere opgave komt ook uit Houttuyn (p.322), waar het volgende staat: “De Staaten van Zeeland behandelen, in hun Plakkaat van den jaare 1712, de Kraaijen, Aaksters en Vlaamsche Gaaijen, alle te samen, op dergelyken voet, gebiedende het verstooren van derzelver Nesten ...”
Schlegel 1852 vermeldt: “DE VLAAMSCHE GAAI. In Noord-Brabant markolf.” Getuige zijn vele volksnamen moet de Vlaamse Gaai in vele delen van ons taalgebied een bekende vogel zijn. In Holland, en wellicht ook Vlaanderen waar weinig Eikenbossen zijn, is dit dan misschien nog het minst zo. Spaanse Ekster houdt misschien verband met de onder -1.) genoemde theorie. De namen Ekster en Gaai werden vaak hopeloos door elkaar gebruikt en ook wel aangewend voor niet-verwante vogels zoals de Klauwieren (Klapekster ↑). Wouter ↑ is een naar een persoon wijzende benaming, een veel voorkomend fenomeen bij vogelnamen. Voor Marre- kolf en Meerkol ↑.
De volksnamen Krijtekster en Schreeuwaakster duiden op de luidruchtigheid van de soort, welke mogelijk de naam Scharrelaar ↑ [bij B&O 1822] ook tot stand gebracht heeft. De Vlaamse Gaai zou bij uitstek de soort geweest kunnen zijn, die zijn naam (Scharrelaar) ‘overgedragen’ heeft op de soort, die die naam nu draagt. Ook Eikelaakster, Hannebroek ↑, Houtekster, Wâlekster, Markloper, Spaanse Ekster ↑, Rotzak ↑ en Takhoer ↑.
Voor de verklaring van ‘Vlaamse’ zijn vier mogelijkheden denkbaar:
1.) Het zou kunnen berusten op het feit dat de Vlaamse Gaai in de Lage Landen in sommige jaren invasiegast is, d.w.z. vrij massaal van elders komt binnentrekken. Dat ‘elders’ kan dan bij het volk aanleiding zijn tot speculaties daarover, want vaak wist men (en weet men) niet precies wat het land of de streek van herkomst was (is). Zo noemt men de Pestvogel: Bemer (= ‘Bohemer’) ↑, de Strandleeuwerik: Franse Leeuwerik ↑ en in Yorkshire noemt men de Bonte Kraai: Dutch Crow. In deze gevallen geeft het land van vermeende herkomst uiteraard niet het land waar de naamgeving plaatsvindt weer. De naam Vlaamse Gaai is in deze uitleg dus juist niet afkomstig uit Vlaanderen, maar bijv. uit Holland. Een aardige bijkomstigheid is nog dat het woord Gaai ↑ via het picardisch (de taal in Noordwest-Frankrijk) ons taalgebied is binnengekomen, dus dat voor ‘Hollanders’ in ieder geval in de juiste richting werd gewezen als men het had over de Vlaamse Gaai, ‘de uit Vlaanderen afkomstige Gaai’.
2.) De VK geeft: “Gay (verouderd) ... Psittacus ... gal. (= F) gaey (sic!), ang. [= E] iaye”. Hierin geven de E en F woorden ws. etymologische equivalenten, geen betekenis-equivalenten weer. ‘Psittacus’ wijst erop dat met ‘Gay’ (eerder) de Papegaai werd bedoeld. Ter onderscheiding van de ‘inlandse’ Gaai was dan een nadere precisering nodig en die zou kunnen bestaan uit de toevoeging ‘Vlaamse’ (= inheemse). In deze uitleg zou de naam juist wél uit Vlaanderen afkomstig moeten zijn. Maar in geen enkel vlaams dialect wordt deze benaming gebruikt; men kent de benaming in Vlaanderen alleen uit hoofde van officiële N naam1 [R De Fraine, Testelt].
Jacob van Maerlant (c.1235-1300) werd geboren in de omgeving van Brugge, vestigde zich later op Voorne (in het oord Maerlant, bij Brielle (ZH)) en keerde omstreeks 1266 terug naar het westvlaamse Damme. In zijn Natueren Bloeme (‘het mooiste in de natuur’) schrijft hij:
Garrulus is eens voghels name, / Die in busschen ende in brame / Voor allen voglen die leven / Meeste ghecrijs ende luuts utegheven, / Dies is hi garrulus ghenant. / Een gai hetet in Wals lant.”
Deze dichtregels kunnen een aanwijzing zijn, hoe de Lat (boeken)naam Garrulus op het punt stond door de eenvoudiger (volks)naam Ga(a)i vervangen te worden. Van het adjectief ‘Vlaams’ is dan nog geen sprake.
3.) Blok 1988 vermeldt in zijn uitleg van Vlaamse Gaai oa: “F flamand ‘vlammend’. Dit wegens de roodbruine kleuren in het verenkleed.” Dit is in geschrift niet juist (F flamant = vlammend, Flamingo; F flamand = vlaams, Vlaming), maar ook heeft die uitleg tegen zich dat deze ‘woordspeling’ dan vanuit het F tot ons gekomen moet zijn. Mij is ook geen F ‘Geai flamand’ bekend, wat een onontbeerlijke steun voor deze etymologie moet zijn. De F naam Flamand (>N Vlaming) zelf zou volgens één der mogelijke etymologische verklaringen wél met ‘vlammend’ en ‘Flamingo’ te maken kunnen hebben: de Portugezen noemden destijds de vlaamse koopvaarders zo vanwege hun blonde uiterlijk (‘rode koppen’, vonden de Portugezen). Zie ook sub Flamingo.
4.) De functie van het bnw. ‘Vlaamse’ zou ongeveer gelijkaardig kunnen zijn aan die in Vlaamse Viesel ↑. De vogel wordt gekenmerkt door een fraai verenkleed, zo fraai als de gegoede burgerij speciaal uit het rijke Vlaanderen was gewend te dragen. – Voor een opmerking over de etymologie van Vlaanderen (>Vlaams) zie sub Koet.
Voor de verklaring van glandarius in de wetenschappelijke naam, zie sub Eikelaakster. Voor die van Garrulus zie sub Scharrelaar.

==

1 WVD 1996 (p.120-125) geeft verspreidingskaartjes van de vlaamse namen voor de soort. Hieruit blijkt dat in de provincie Oost-Vlaanderen de naam ‘Vlaamse Gaai’ in een tiental plaatsen werd opgegeven, en in de provincie West-Vlaanderen in een tiental resp. twintigtal plaatsen (de gegevens hebben betrekking op vóór resp. ná 1950 verzameld materiaal). Niet geheel duidelijk wordt, of “Vlaamse Gaai” als échte volksnaam moet worden gezien, of dat de geënquêteerden deze naam opgaven omdat ze hem uit de gangbare vogelgidsen (in ABN en met de officiële N namen) kenden. In dat laatste geval is de mededeling van De Fraine (vgl. hierboven) correct en bevat het WVD op dit punt oneigenlijk materiaal (immers niet behorend tot het vlaamse dialect!).

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

GAAIGarrulus glandarius
Duits Eichelhäher
Engels Jay
Frans Geai des chênes
Fries Houtekster
Betekenis wetenschappelijke naam: voortdurend krassende eikelzoeker. Evenals zijn meeste familieleden is ook de Gaai(e) (NH, ZH) een luidruchtige vogel. Plaatselijke namen zijn Gei (MLb) en Gaiken (Zl). De oude Latijnse naam luidde gaïus, wat op het schreeuwen van de vogel betrekking heeft. Kort geleden stond hij nog te boek als Vlaamse Gaai. ‘Vlaamse’ doelt volgens sommigen op de roodbruine kleuren in het verenkleed. Het zou dan ontleend zijn aan het Franse flambant = vlammend. Een andere zienswijze is dat de vogelnaam is ontstaan uit de woorden ‘in het Vlaams Gaai’. De vogel werd n.l. in België het eerst in Wallonië beschreven en wel onder de naam Gay. Heel wat volksnamen hebben op het doordringende krijsen van de vogel betrekking. De meest algemene is Meerkol, een verbastering van Markol(f) (Gd, Kem) en vermoedelijk ontstaan onder invloed van het gelijknamige Meerkol, een toen reeds bestaande volksnaam voor de Meerkoet (bij wie ‘kol’ = witte bles). Die bijnaam voor de Gaai is afgeleid van Marculphus, een figuur uit een heldensage, bekend als een praatjesmaker, grappenmaker en spotter. “Het is ne goai,” zei men van iemand die dwaze streken uithaalde. Onze vogel dankt de naam Meerkol aan zijn vermogen om andere vogels te imiteren en aan z’n gevarieerde, scherpe geluiden. (vergelijk toverkol: een krijsend wijf met bovennatuurlijke krachten). Varianten op Meerkol zijn Maarkolf (NB), Morkol(f) (Kem), Martkolf (Lb), Meerkolf, Merko(e)f (Lb), Markol(le) (Ach, Ov), Meerkolle (Twe), Marrikolf (Wou), Merrikol(le) (Vel), Marrekoale (Ach), Mercolf, Merkolver (Ov), Markoln (Ach), Markolaan, Marken (Kem), Motkolf (RvN), Merrekof (Wee), Mérkef (Maa), Marklover (Ste), Markloper (Ste), Maaiklover (Rij), Marklauwe (Gr), Maarklauw (Twe), Merklouw(er) (Ov) en Markwart. De laatste naam is ontleend aan Marquart – de hoofdpersoon uit de Vlaamse fabel ‘Reineke Vos’ – waarbij het eveneens om het imago van ‘praatjesmaker’ gaat. Overigens is een markwolf of een markwart in een vroegere betekenis een grenswachter ( mark = grensstrook, grens-akker). Mogelijk is hieruit tevens de naam Wouter – zie verder – ontstaan. Een stapje verder gaan de namen Markorf, Märkörf (ONB, ZLb), Meelkörf, Martkurf (Kem), Matkeuref (MLb) en Merretkörref (Maa), een hengselmand, met de betekenis van ‘hamsteraar’ voor het vogelgedrag: Als liefhebber van eikels legt de Gaai in het winterseizoen graag een voedselvoorraad aan door eikels in de grond te stoppen. Na verloop van tijd blijkt dat hij ze niet allemaal nodig heeft gehad, of dat hij omgekomen is, want men heeft geconstateerd dat er mede door zijn toedoen nieuwe eikenbomen opgroeien. Daarom zegt men wel dat de Gaai een ‘bosbouwer’ is. Andere namen in dit verband zijn Eikelpotter (Ach), Eikelekster, Eikelaakster (Gd, NH, Ov) en Eikelkraai. De laatste kan zijn ontstaan onder invloed van het Duitse Eichelhäher. Schreeuwekster (Gr, NH), Schraiw-eekster (Gr), Schriwakster, Skreeuw-aakster (Tex), Krietoakster (Gr) en Krijtekster verwoorden z’n schelle kreten, terwijl in deze namen tevens een vergelijking met de evenmin muzikale Ekster wordt gemaakt. Andere namen waarin de Gaai als een Ekster wordt aangemerkt zijn Boontekster (Ens), Spansjekster (Sco), Spaanse Ekster (ZH), Broekikster (ZBW), Halve Ekster, Hikster (Kem), Jakster, Klei-ekster, Koolekster (ZHw), Skoolekster (Fr), Wâl(d)akster (Fr), Bosekster, Holtoakster (Gr) en de bovenvermelde Friese naam. Beschouwen wij deze groep nader: In ‘boont’ en o.i. ook in ‘Spaanse’ is het bonte verenkleed van de Gaai te herkennen. ‘Spaanse’ kan tevens op zijn onverstaanbare klanken betrekking hebben. ‘Broek’ doelt op de gewoonte om een nest in de broek van een boom te maken, dat is de plaats waar de stam in de kruin overgaat. Men heeft gedacht aan samenhang met breuk en de ‘breking’ van het kledingstuk de broek in twee pijpen, in het voorafgaande het uiteengaan van de takken. ‘Halve’ wijst op een verschil in lengte. ‘Klei’ zou een vergelijking kunnen zijn met de rode kleur van een bepaalde kleisoort. ‘Kool’ is afgeleid van Meerkol. ‘Skool’ betekent waarschijnlijk school = groep, met als achtergrond dat de gaaien zich groepe ren alvorens op najaarstrek te gaan. ‘Wâld’, ‘Holt’ e.d. zijn elementen die op aanwezigheid in de bossen duiden. Van alle kraai-achtigen in ons land is deze vogel het meest aan het bos gebonden. Met deze biotoop houden z’n namen Bosgaai, Wouter (Lb, Vla, ZVl) en de varianten Weiter, Welter, Wètere (OZV), Wadre (OZV), Watink (OZV) en Wijtink (ZVl) verband. Anders gezegd, hij is de ‘woudheer’ of boseigenaar, die imponeert vanwege z’n fraaie kleuren en indringende geluid. Wouter was tevens een plaatselijke benaming voor de veldwach ter, de oppasser tegen het kwade, zoals stropers. Zo jaagt ook de Gaai indringers uit zijn gebied weg. Later ging men Wouter tevens beschouwen als persoonsnaam, een vertrouwelijke benaming. Onder invloed van Wouter zijn Nannewuiter (Lb, ZVl), (N)anneweute (ZVl), Allewuiten (Vla) en Hannewuyt (Vla) gevormd. Deze hebben een geheel andere betekenis want ze benadrukken het uitgelaten, ‘dolle’ karakter van de vogel, terwijl het element ‘wuiter’ (wuit = kin, mond) op het roepen betrekking zal hebben. Z’n volksnamen Broekhannek(e) (Goe, WNB), Hannebroek (WNB), Anniebroek (Vla), Hannikauw (NB), Hannimauw (Lan), Marhannik (Kem), Marhander (ONB), Marhanne (ONB) en Marhenne (ONB) bevatten het element ‘Hanne’, een benaming voor een tamme Ekster, dan wel ‘Hannek’, dat de betekenis van onnozele Hannes, lummel of scheldend mens heeft, zulks op grond van z’n gekrijs, maar ook, zoals in België, van iemand die in opvallende kleuren gekleed gaat, hetgeen eveneens goed bij de vogel past. De naam Appelvrêêter (Goe) moet door een boze boer zijn bedacht. Andere Belgische namen zijn Alleweitink, Broekhan, Brakhan, Hannewuite, Wiewouter – uit Vijfwouter, een vlinder –, Wei(ter), Lawei, Koollaweit, Koolaard, Kulaard, Heger(t), Meerkolver, Bonte Melder, Roethanne, Roeter, Roetaard = ‘druktemaker’, Kavogel, Kwaadvogel en ...Rotzak.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

gaai (Picardisch gai)

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

gaai In 1851 voor het eerst gevonden, in een boek van de Vlaamse pastoor C. Duvillers, getiteld Den baron Penninck, of samenspraken waerin de Vlaemsche zeden getrouwelyk worden afgeschetst:

Na dat hy zoo, vier of vyf jaren lang, dagelyks zyn 12 gaeykens had geschoten, en dagelyks ook met heele stoopen bier uytgelapt.

Een gaaitje schieten was een vaste uitdrukking voor ‘een borrel drinken’. In Gent zei men in de eerste helft van deze eeuw ook op de gaaienjacht gaan voor ‘borrels gaan drinken’ en op de gaaienjacht geweest hên voor ‘dronken zijn’. Iemand die veel gaaien dronk, was een gaaischieter.
Al deze uitdrukkingen zinspelen zonder twijfel ook op de Vlaamse en Brabantse volkssport gaaischieten, dat wil zeggen met een pijl naar een houten vogel op een hoge staak schieten. Mogelijk ontstond de borrelnaam omdat de winnaar van zo’n schietwedstrijd een borrel — ook zilveren gaai genoemd — kreeg. In Oost-Vlaanderen komt de borrelnaam gaai nog steeds voor.

[Bo 334-335; Ter Laan 1949:105-106; Liev.-Coopm. 400; Mullebrouck 335; Nav. 49:135; NZ 4:100; PJM 55]

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1gaai s.nw.
Enigeen van verskeie helderkleurige, kraaiagtige voëls.
Uit Ndl. gaai (al Mnl.).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

gaai II [+]: voëls. (spp. Garrulus/Cyanocitta, fam. Corvidae); v. ook papegaai.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gaai zangvogel 1287 [CG NatBl] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut