Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gaai - (inheemse kraaiachtige vogel (Garrulus Glandarius); kort voor Vlaamse gaai)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gaai zn. ‘inheemse kraaiachtige vogel (Garrulus Glandarius); kort voor Vlaamse gaai’
Mnl. dies es hi garrulus ghenamt, een gai hetet int duutsce lant ‘daarom wordt hij garrulus genoemd, gaai heet hij in Nederlands gebied (in de volkstaal)’ [1287; CG II, Nat.Bl.D]; nnl. gaai ‘id.’ [1766; WNT].
Ontleend aan Oudpicardisch gai ‘Vlaamse gaai’ [1170; Rey], naast Oudfrans jai [1175; Rey] (Nieuwfrans geai, Engels jay), ontwikkeld uit Laatlatijn gaius ‘id.’. Verdere herkomst onzeker. Wrsch. een klanknabootsend woord. Ook de Latijnse wetenschappelijke benaming garrulus ‘de luidruchtige, de babbelzieke’ is een afleiding van het Latijnse klanknabootsende werkwoord garrīre ‘babbelen, kletsen; lawaai maken van vogels’.
Een andere mogelijkheid is vernoeming naar de Latijnse naam Gāius, zoals wel meer vogelnamen gebaseerd zijn op of overeenkomen met persoonsnamen, bijv. wouter ‘Vlaamse gaai’, piet ‘kanarie’, Engels robin ‘roodborstje’, Frans pierrot ‘mus’, jacquot ‘papegaai’. Af te wijzen is ook de etymologie van Vercoullie (1890, niet meer in 1925), die ervan uitgaat dat Oudfrans gai ‘gaai’ hetzelfde woord is als het Franse bn. gai ‘levendig, vrolijk; schoon, bont’, dat ontleend is aan Frankisch *wāhi ‘blinkend, mooi’, waarbij ohd. wāhi ‘sierlijk, fraai’, zie ook → gay. Een gaai zou dan een ‘bonte vogel’ zijn. Vanwege Laatlatijn gaius is deze hypothese af te wijzen, maar er kan wel van volksetymologische invloed sprake zijn.
De gaai is ook wel bekend als verkorting voor Vlaamse gaai, de enige in de Lage Landen voorkomende gaaiensoort. Een verklaring voor de toevoeging Vlaamse ligt niet in de herkomst van de vogel; de gaai komt immers over het gehele Euraziatisch continent voor. Een mogelijkheid is dat de Franse naam gai flammant, een verwijzing naar de vlammende kleuren van zijn verenkleed, is geïnterpreteerd als een verwijzing naar zijn verblijfplaats en is vertaald als vlaamse gaai.
Andere, gewestelijke namen voor de Vlaamse gaai zijn → meerkol en wuit of wout.
Lit.: P.J. Meertens (1949), ‘Vogelnamen. I. De Gaai’, in: Taal en Tongval 1, 97-104

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gaai [vogel] {ga(e)y 1287} < picardisch gai (frans geai) [idem] < laat-latijn gaius, klanknabootsende vorming, maar geïdentificeerd met de lat. persoonsnaam Gaius; de Vlaamse gaai kreeg ook in het nl. een persoonsnaam: wouter; het verschijnsel komt vaker voor, vgl. engels robin [roodborstje], martin [huiszwaluw], frans colin [Amerikaanse kwartel], martinet [gierzwaluw], ook ons (kanarie)pietjeparkiet.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gaai znw. m. ‘vogelnaam’, door Maerlant als een frans woord vermeld en inderdaad < pikard. gai = fra. geai < vulg. lat. gajus, dat men niet meer als de lat. PN Cajus opvat, maar eerder als een klanknabootsend woord (Gamillscheg 464).

Voor de dialectische vormen zie de taalkaart van P. J. Meertens, Taalatlas afl. 6, 5. en verder kaart Nr. 14 van K. Heeroma, Taalatlas van Oost-Nederl., waaruit blijkt dat markolf de naam is in Overijsel, Gelderland en Brabant, terwijl heger, hegert voorkomt in Friesland, Groningen, Noord-Holland en elders, dit is eig. een woord voor de reiger, vgl. mnd. heger (zie daarvoor: reiger).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gaai (Vlaamsche g.) znw. Door Maerlant een fr. woord genoemd. Uit pic. gai = fr. geai (waaruit eng. jay) “gaai”; dit uit lat. gajus “id.” = Gajus eigennaam: vgl. ndl. wouter. De andere ndl. namen (o.a. wouter, meerko1, zuidndl. wiewouter, roetaard, hanne, hannewuite) zijn in deze bet. jonger dan gaai. Maerlant noemt alleen fr. gai en lat. garrulus.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gaai 2 m. (vogel), Mnl. gay, gelijk Eng. jay, uit Fr. geai (dial. gai), dat met Sp. gayo, van Mlat. gaium (-us), misschien de persoonsnaam Gaius.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1gaai s.nw.
Enigeen van verskeie helderkleurige, kraaiagtige voëls.
Uit Ndl. gaai (al Mnl.).

Thematische woordenboeken

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

GAAIGarrulus glandarius
Duits Eichelhäher
Engels Jay
Frans Geai des chênes
Fries Houtekster
Betekenis wetenschappelijke naam: voortdurend krassende eikelzoeker. Evenals zijn meeste familieleden is ook de Gaai(e) (NH, ZH) een luidruchtige vogel. Plaatselijke namen zijn Gei (MLb) en Gaiken (Zl). De oude Latijnse naam luidde gaïus, wat op het schreeuwen van de vogel betrekking heeft. Kort geleden stond hij nog te boek als Vlaamse Gaai. ‘Vlaamse’ doelt volgens sommigen op de roodbruine kleuren in het verenkleed. Het zou dan ontleend zijn aan het Franse flambant = vlammend. Een andere zienswijze is dat de vogelnaam is ontstaan uit de woorden ‘in het Vlaams Gaai’. De vogel werd n.l. in België het eerst in Wallonië beschreven en wel onder de naam Gay. Heel wat volksnamen hebben op het doordringende krijsen van de vogel betrekking. De meest algemene is Meerkol, een verbastering van Markol(f) (Gd, Kem) en vermoedelijk ontstaan onder invloed van het gelijknamige Meerkol, een toen reeds bestaande volksnaam voor de Meerkoet (bij wie ‘kol’ = witte bles). Die bijnaam voor de Gaai is afgeleid van Marculphus, een figuur uit een heldensage, bekend als een praatjesmaker, grappenmaker en spotter. “Het is ne goai,” zei men van iemand die dwaze streken uithaalde. Onze vogel dankt de naam Meerkol aan zijn vermogen om andere vogels te imiteren en aan z’n gevarieerde, scherpe geluiden. (vergelijk toverkol: een krijsend wijf met bovennatuurlijke krachten). Varianten op Meerkol zijn Maarkolf (NB), Morkol(f) (Kem), Martkolf (Lb), Meerkolf, Merko(e)f (Lb), Markol(le) (Ach, Ov), Meerkolle (Twe), Marrikolf (Wou), Merrikol(le) (Vel), Marrekoale (Ach), Mercolf, Merkolver (Ov), Markoln (Ach), Markolaan, Marken (Kem), Motkolf (RvN), Merrekof (Wee), Mérkef (Maa), Marklover (Ste), Markloper (Ste), Maaiklover (Rij), Marklauwe (Gr), Maarklauw (Twe), Merklouw(er) (Ov) en Markwart. De laatste naam is ontleend aan Marquart – de hoofdpersoon uit de Vlaamse fabel ‘Reineke Vos’ – waarbij het eveneens om het imago van ‘praatjesmaker’ gaat. Overigens is een markwolf of een markwart in een vroegere betekenis een grenswachter ( mark = grensstrook, grens-akker). Mogelijk is hieruit tevens de naam Wouter – zie verder – ontstaan. Een stapje verder gaan de namen Markorf, Märkörf (ONB, ZLb), Meelkörf, Martkurf (Kem), Matkeuref (MLb) en Merretkörref (Maa), een hengselmand, met de betekenis van ‘hamsteraar’ voor het vogelgedrag: Als liefhebber van eikels legt de Gaai in het winterseizoen graag een voedselvoorraad aan door eikels in de grond te stoppen. Na verloop van tijd blijkt dat hij ze niet allemaal nodig heeft gehad, of dat hij omgekomen is, want men heeft geconstateerd dat er mede door zijn toedoen nieuwe eikenbomen opgroeien. Daarom zegt men wel dat de Gaai een ‘bosbouwer’ is. Andere namen in dit verband zijn Eikelpotter (Ach), Eikelekster, Eikelaakster (Gd, NH, Ov) en Eikelkraai. De laatste kan zijn ontstaan onder invloed van het Duitse Eichelhäher. Schreeuwekster (Gr, NH), Schraiw-eekster (Gr), Schriwakster, Skreeuw-aakster (Tex), Krietoakster (Gr) en Krijtekster verwoorden z’n schelle kreten, terwijl in deze namen tevens een vergelijking met de evenmin muzikale Ekster wordt gemaakt. Andere namen waarin de Gaai als een Ekster wordt aangemerkt zijn Boontekster (Ens), Spansjekster (Sco), Spaanse Ekster (ZH), Broekikster (ZBW), Halve Ekster, Hikster (Kem), Jakster, Klei-ekster, Koolekster (ZHw), Skoolekster (Fr), Wâl(d)akster (Fr), Bosekster, Holtoakster (Gr) en de bovenvermelde Friese naam. Beschouwen wij deze groep nader: In ‘boont’ en o.i. ook in ‘Spaanse’ is het bonte verenkleed van de Gaai te herkennen. ‘Spaanse’ kan tevens op zijn onverstaanbare klanken betrekking hebben. ‘Broek’ doelt op de gewoonte om een nest in de broek van een boom te maken, dat is de plaats waar de stam in de kruin overgaat. Men heeft gedacht aan samenhang met breuk en de ‘breking’ van het kledingstuk de broek in twee pijpen, in het voorafgaande het uiteengaan van de takken. ‘Halve’ wijst op een verschil in lengte. ‘Klei’ zou een vergelijking kunnen zijn met de rode kleur van een bepaalde kleisoort. ‘Kool’ is afgeleid van Meerkol. ‘Skool’ betekent waarschijnlijk school = groep, met als achtergrond dat de gaaien zich groepe ren alvorens op najaarstrek te gaan. ‘Wâld’, ‘Holt’ e.d. zijn elementen die op aanwezigheid in de bossen duiden. Van alle kraai-achtigen in ons land is deze vogel het meest aan het bos gebonden. Met deze biotoop houden z’n namen Bosgaai, Wouter (Lb, Vla, ZVl) en de varianten Weiter, Welter, Wètere (OZV), Wadre (OZV), Watink (OZV) en Wijtink (ZVl) verband. Anders gezegd, hij is de ‘woudheer’ of boseigenaar, die imponeert vanwege z’n fraaie kleuren en indringende geluid. Wouter was tevens een plaatselijke benaming voor de veldwach ter, de oppasser tegen het kwade, zoals stropers. Zo jaagt ook de Gaai indringers uit zijn gebied weg. Later ging men Wouter tevens beschouwen als persoonsnaam, een vertrouwelijke benaming. Onder invloed van Wouter zijn Nannewuiter (Lb, ZVl), (N)anneweute (ZVl), Allewuiten (Vla) en Hannewuyt (Vla) gevormd. Deze hebben een geheel andere betekenis want ze benadrukken het uitgelaten, ‘dolle’ karakter van de vogel, terwijl het element ‘wuiter’ (wuit = kin, mond) op het roepen betrekking zal hebben. Z’n volksnamen Broekhannek(e) (Goe, WNB), Hannebroek (WNB), Anniebroek (Vla), Hannikauw (NB), Hannimauw (Lan), Marhannik (Kem), Marhander (ONB), Marhanne (ONB) en Marhenne (ONB) bevatten het element ‘Hanne’, een benaming voor een tamme Ekster, dan wel ‘Hannek’, dat de betekenis van onnozele Hannes, lummel of scheldend mens heeft, zulks op grond van z’n gekrijs, maar ook, zoals in België, van iemand die in opvallende kleuren gekleed gaat, hetgeen eveneens goed bij de vogel past. De naam Appelvrêêter (Goe) moet door een boze boer zijn bedacht. Andere Belgische namen zijn Alleweitink, Broekhan, Brakhan, Hannewuite, Wiewouter – uit Vijfwouter, een vlinder –, Wei(ter), Lawei, Koollaweit, Koolaard, Kulaard, Heger(t), Meerkolver, Bonte Melder, Roethanne, Roeter, Roetaard = ‘druktemaker’, Kavogel, Kwaadvogel en ...Rotzak.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

gaai (Picardisch gai)

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham , Den Haag

gaai In 1851 voor het eerst gevonden, in een boek van de Vlaamse pastoor C. Duvillers, getiteld Den baron Penninck, of samenspraken waerin de Vlaemsche zeden getrouwelyk worden afgeschetst:

Na dat hy zoo, vier of vyf jaren lang, dagelyks zyn 12 gaeykens had geschoten, en dagelyks ook met heele stoopen bier uytgelapt.

Een gaaitje schieten was een vaste uitdrukking voor ‘een borrel drinken’. In Gent zei men in de eerste helft van deze eeuw ook op de gaaienjacht gaan voor ‘borrels gaan drinken’ en op de gaaienjacht geweest hên voor ‘dronken zijn’. Iemand die veel gaaien dronk, was een gaaischieter.
Al deze uitdrukkingen zinspelen zonder twijfel ook op de Vlaamse en Brabantse volkssport gaaischieten, dat wil zeggen met een pijl naar een houten vogel op een hoge staak schieten. Mogelijk ontstond de borrelnaam omdat de winnaar van zo’n schietwedstrijd een borrel — ook zilveren gaai genoemd — kreeg. In Oost-Vlaanderen komt de borrelnaam gaai nog steeds voor.

[Bo 334-335; Ter Laan 1949:105-106; Liev.-Coopm. 400; Mullebrouck 335; Nav. 49:135; NZ 4:100; PJM 55]

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gaai zangvogel 1287 [CG NatBl] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut