Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

funderen - (grondvesten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

fundament zn. ‘grondslag’
Mnl. fundement ‘grondslag’ [1240; Bern.], fondement ‘geestelijke grondslag’ [1265-70; CG II, Lut.K], eenen tur staende in de ze sonder fundament ‘een toren/kasteel staande in de zee zonder fundament(en)’ [1285; CG II, Rijmb.], gherechtecheit es fondament ‘gerechtigheid is de grondslag’ [1374; MNW-R]; vnnl. (schertsend) ‘zitvlak, achterwerk’ [voor 1540; WNT].
Ontleend, de vormen met -o- via Frans fondement ‘id.’ [12e eeuw; FEW], aan Latijn fundāmentum ‘id.’, een afleiding met het achtervoegsel -mentum (zie → -ment) van het werkwoord fundāre ‘grondvesten’, dat weer is afgeleid van Latijn fundus ‘bodem’, verwant met → bodem, en zie ook → fond. De Franse vorm met fonde- is volksetymologisch ontstaan onder invloed van fond ‘bodem’, dat niet aan Latijn fundus is ontleend, maar er klankwettig uit is ontwikkeld.
Zowel in het Middelnederlands als in het Vroegnieuwnederlands bestaan de Latijnse en Franse vormen fundament resp. fondement, en de mengvormen fundement en fondament naast elkaar. Pas in het Nieuwnederlands (vanaf ca. 1700) begint de op het Latijn gebaseerde huidige vorm de overhand te krijgen.
funderen ww. ‘grondvesten’. Mnl. funderen, fonderen, bijv. in van ghode ghefundeert ‘door God gegrondvest’ [1290; CG II, En.Cod.], in deze tueen gheboden so es gefundeert al de wet ‘op deze twee geboden is de wet gebaseerd, deze twee geboden zijn de grondslagen van de wet’ [1291-1300; Diat.], heeft ... ene kerke gefondeert ‘heeft een kerk gesticht’ [1393-1402; MNW-R]. Ontleend aan Latijn fundāre ‘grondvesten’, met ook hier weer invloed in oudere vindplaatsen met -o- van Frans fonder ‘stichten’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

funderen [grondvesten] {funderen, fonderen 1331} < frans fonder < latijn fundare (vgl. fundament).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† funde[e]ren ww, sedert het Mnl. Mhd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

funderen ‘grondvesten’ -> Duits fundieren ‘grondvesten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

funderen grondvesten 1331 [Claes] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut