Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fulp - (soort fluweel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

fulp zn. (NN) ‘soort fluweel met zeer lang haar, pluche’
Vnnl. felp ‘soort fluweel’ [1626; WNT], fulp ‘id.’ [1657; WNT].
Ontleend aan Italiaans felpa ‘pluche’ [1598; DEDLI], dat is ontleend aan Oudfrans felpe, feupe ‘lomp, plunje’. De details van de betekenisontwikkeling zijn niet helemaal duidelijk, maar in elk geval gaat het woord terug op Laatlatijn faluppa ‘kaf, strovezel, waardeloos ding’, zoals ook in → envelop en van onbekende verdere herkomst. In Franse dialecten treden hier vele varianten van op, met variërende klinker, maar met telkens de medeklinkeropeenvolging f - l (of r) - p. Een gemeenschappelijk element in de betekenissen van al die woorden is ‘uitgerafelde stof’. In de betekenis ‘pluche’ is het woord in het Italiaans, Catalaans, Spaans en Portugees overgenomen, maar in het Frans zelf vervangen door → pluche.
fulpen bn. ‘van fulp gemaakt’. Vnnl. zijn' fulpe broek ‘zijn fluwelen broek’ [1656; WNT], een schoonen fulpen rock ‘een mooie fluwelen rok’ [1660; WNT]. Afleiding van fulp.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fulp [fluweel] {1657} nevenvorm van felp < italiaans felpa [pluche] < oudfrans felpe [franje] < middeleeuws latijn faluppa [stroafval, kaf].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

fulp znw. o. en fulpen bnw., eerst na Kiliaen, naast felp, felpel < ital. felpa ‘wolfluweel’ < ofra. frepe, ferpe ‘franje’, dat in verband gebracht wordt met een vulg. lat. faluppa ‘spaantje, strovezel’ (vgl. Meyer-Lübke 275).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

fulp, fulpen znw. o., resp. bnw., nog niet bij Kil. Bijvorm van felp, felpel. Dichterlijk. Uit it. felpa “pluche” (ofr. felpe = “lomp”), van onzekeren oorsprong.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

fulp, felp o. (fluweel), gelijk Hgd. felbel en Zw. fälp, uit Ofra. felpe, It. en Sp. felpa: oorspr. onbek.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal