Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fuik - (korfvormig visnet)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

fuik zn. ‘korfvormig visnet’
Mnl. in die heymradere uerbiden visschen mit coruen noch mit fuken ‘de heemraden verbieden te vissen met korven of fuiken’ [1284; CG I, 764], vuyck “en nett gestalt als eyn vischkorff” (een net gevormd als een viskorf) [1477; Teuth.].
Herkomst onbekend. Mogelijk is er verwantschap met het verouderde werkwoord fuiken ‘stoten, stompen’ [fuycken 1573; Thes.] en/of met → fokken en → fok. Mogelijk van voor-Indo-Europese herkomst en dan misschien verwant met Grieks puknós, pukínos ‘dicht opeen, stevig’ (Cowan 1974).
Mnd. vuke ‘fuik, onderrok’; ofri. fuke ‘fuik’ (nfri. fûke).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fuik* [langwerpig vistuig] {fuke, vuycke 1383} middelnederduits vūke [fuik, ook onderrok], oudfries fūcke [fuik]; etymologie onbekend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

fuik znw. v., mnl. fuecke, vuyke, Theut. vuyck ‘fuik, ruim kleed’, owfri. fucke ‘fuik’. Naar de vorm kan men vergelijken on. fjūka ‘snel door de lucht gaan’ en verder lett. puga ‘windstoot’; weliswaar is de overgang hiervan naar die van fuik niet duidelijk, maar hij schijnt ook te hebben plaats gehad bij lett. pauga ‘kussen’ (Holthausen IF 44, 1927, 192). Men neemt als idg. wt. een klanknabootsend *pu, *peu ‘opblazen (van de wangen)’ aan. K. Heeroma Ts 61, 1942,45-77 wijst nog op woorden als vuke ‘onderrok, totebel’ (waarvoor hij als grondbet. die van ‘lap’ aanneemt) en verder fuiken ‘duwen, stoten’ (dat echter wel variant van fokken zal zijn) en fuik ‘kletspraatje, grap’. — > amerik.-eng. fyke (vgl. J. H. Neumann JEGPh 44, 1945, 275).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

fuik znw., mnl. fuecke, vuyke v. = Teuth. vuyck “fuik, wijd kleed”, mnd. vûke v. “fuik, onderrok”, owfri. fûcke v. “fuik”. Oorsprong onzeker. Verwantschap met on. fjûka (zie fok) is mogelijk, maar hypothetisch.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

fuik. Verwantschap met on. fjûka ‘snel door de lucht gaan’, fjûk o. ‘sneeuwstorm’ wordt iets begrijpelijker, wanneer men hiermee ook lett. pàuga ‘kussen’, russ. púga ‘kantkussen’ en oi. pûga- ‘hoop, massa, klomp’ combineert (vgl. Holthausen IF. 44, 192). Maar alles blijft vaag.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

fuik v., Kil. vuycke + Ofri. fucke: oorspr. onbek.; vergel Westvl. syn. puikel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

fuik(net) ‘langwerpig vistuig’ -> Frans dialect † fud ‘visfuik’; Amerikaans-Engels fyke (net) ‘langwerpig vistuig’; Negerhollands fik ‘langwerpig vistuig’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † fik ‘langwerpig vistuig’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

fuik* langwerpig vistuig 1383 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

585. In de fuik zijn,

d.i. verloofd of getrouwd zijn. Een fuik is een langwerpige korf, waarmede men in stilstaand water paling vangt, die in de fuik ‘loopt’. Hij nu, die verloofd of getrouwd is, wordt schertsenderwijs vergeleken bij een visch, die in de fuik gevangen zit. Ook de Romeinen gebruikten ex nassa exire, uit de verlegenheid geraken; in het Fransch zegt men eveneens être dans la nasse, in verlegenheid zitten, in de fuik zijn, getrouwd zijn. Ook Cats vergeleek in zijne Emblemata het huwelijk bij eene fuikZie Noord en Zuid XXII, 33; Ndl. Wdb. III, 4704. en Winschooten, 59 deelt eveneens mede, dat men in zijn tijd ‘oneigenlijk’ zeide: ‘hij is al in de fuik, dat is, hij is al in het net, hij is al gevangen’, welke uitdr. ook wordt opgegeven door Tuinman I, 240, met dit verschil dat deze zegt ‘zy is in de fuik’, dat men volgens hem bezigt van ‘eene vryster, die door den vryer tot het huwelyk bepraat is’; vgl. W. Leevend VII, 143: In de fuik stappen, trouwen; Halma, 146: De huwelijksfuik, het huwelijk, le mariage, le lien nuptial; M.z.A. 176: Meneer is immers ook nog niet getrouwd? Neen Manus! - Laat je dan geraaien meneer en blijf uit de fuik - t' is allemaal verlakkerij. In het Friesch kent men nog de uitdr. hy rint yn 'e fûke, hij loopt in de val; hy sit yn 'e fûke, hij zit in de fuik, hij heeft zich laten vangen door list en misleiding, naast hy sit oan 'e hoek, hij is getrouwd. Zie Handelsblad, 30 Aug. 1917 (A), p. 10 k. 1: Maar ook de politie is op haar qui vive en laat er tal van fietsdieven in de fuik loopen. In de fuik vliegen, in de val loopen, komt voor in de Amsterdammer, 19 Sept. 1915, p. 3 k. 5: Dit is eenige malen goed gegaan tot onze markies een propriétaire vond, nòg gewikster dan hij, die niet zoo dadelijk in den val liep en met den Commissaris van Politie ter plaatse een onderzoek instelde en toen vloog de markies de Torquay in de fuik. Vgl. de mnl. uitdr. enen in den sac leiden, iemand in de fuik laten loopen, iemand in de val lokken.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut