Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fruit - (verzamelnaam voor vruchten)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2018

Fruit

Albert Einstein beweerde voor zijn levensgeluk genoeg te hebben aan een tafel, een stoel, een schaal met fruit en een viool. Wij beperken ons hier tot het fruit.
De woorden fruit en vrucht zijn etymologisch gezien identiek: ze gaan beide terug op het Latijnse fructus, dat op zijn beurt een afleiding is van het werkwoord frui (‘gebruiken, genieten’). Fructus is datgene wat je gebruikt, dat wil zeggen: de opbrengst van het gewas, de oogst. Het Nederlands heeft het woord vrucht in de Romeinse tijd overgenomen, toen de Romeinen kersen, peren, perziken en mispels in de Lage Landen introduceerden – met hun namen.
In het Frans werd het Latijnse fructus tot fruit, dat in de dertiende eeuw door het Nederlands werd overgenomen. Het Middelnederlands kende nog diverse spellingen en uitspraken: froit, froeyt, freuit, fruut, frute. De standaardtalige vorm fruit is ontstaan door verandering van de lange uu tot de ui-klank.
Fruit en vrucht vormen in het huidige Nederlands aldus een etymologisch doublet, waarvan de leden elk een eigen betekenis hebben aangenomen: een vrucht is het individuele product van een boom of struik, fruit daarentegen is de verzamelnaam voor vruchten die zonder toebereiding worden gegeten. Het oudere woord ooft is door fruit min of meer verdrongen, maar in het Duits is het overeenkomstige woord Obst nog springlevend, bij afwezigheid van een concurrerende vorm.

Tuttifrutti
Het van oorsprong Latijnse woord fructus is ook via het Italiaans tot ons gekomen, als tuttifrutti. In het Italiaans betekent tutti i frutti letterlijk: ‘alle vruchten’. De huidige betekenis van tuttifrutti (‘mengsel van gedroogde vruchten, veelal appels, pruimen en abrikozen’) is sinds 1886 in het Nederlands geboekstaafd. Daarnaast kan tuttifrutti ook betekenen: ‘gemengd vruchtenijs’. Aan deze betekenis heeft het historische ‘IJspaleis Tutti Frutti’ in Soerabaja zijn naam te danken; daar creëerde, aldus de Indische Courant van 25 augustus 1924, “de Italiaansche ijskunstenaar Zangrandi overheerlijke plombières, ijstulbands, cafés glacés en andere vriespunt-delicatessen in de aanlokkelijkste kleurcombinaties en gracieuse vormen”. De destijds vermaarde ijssalon is trouwens nog steeds te vinden in Soerabaja, tegenwoordig onder de naam Zangrandi. Tutti Frutti is ook de titel van een suggestieve rock-’n-roll-song van Little Richard uit 1955, en van een dito Duitse tv-show van RTL uit de jaren negentig.

Fruitmachine
Een fruitmachine is een speelautomaat die vaak te vinden is in casino’s en cafés. Andere benamingen zijn gokautomaat, gokkast of fruitautomaat. Wanneer de startknop wordt ingedrukt of de hendel aan de zijkant wordt overgehaald, worden rollen met plaatjes in beweging gezet. Waarom heet dit apparaat fruitmachine en waarom staan er op die rollen plaatjes van citroenen, meloenen en kersen? In de jaren tachtig van de negentiende eeuw werden in Amerika de eerste gokmachines ontwikkeld. Omdat in veel staten gokken verboden was, werden de apparaten verkocht als ‘trade stimulators’: de klant kon door zijn geld in de machine te stoppen op een speelse wijze snoep kopen, waarbij het toeval een rol speelde. De eerste fruit machines keerden geen geld uit, maar kauwgom, waarbij de symbolen op de rollen verwezen naar de verschillende vruchtensmaken. Zelfs het in fruitautomaten nog steeds gangbare BAR-symbool gaat terug op een bar of chewing gum, oftewel ‘een plakje kauwgom’. De fruitmachine heeft zijn naam dus te danken aan de vruchtensmaken van de kauwgom die de speler er vroeger mee kon winnen. Het Nederlands heeft het woord aan het begin van de twintigste eeuw aan het Engels ontleend. Een van de oudste vindplaatsen is een advertentie in het Rotterdamsch Nieuwsblad van 17 oktober 1928, waarin een fruitmachine wordt aangeprezen als café-automaat met “groote winstkans”.

Pomologie
Pomologie is een geleerd woord voor ‘vruchtenkunde’. Het woord is samengesteld uit het Latijnse woord pomum (‘appel’) en het Griekse logia (‘wetenschap’). De samenstelling is in de achttiende eeuw bedacht door de hovenier Johann Hermann Knoop, die in 1758 te Leeuwarden onder de titel Pomologia een rijk geïllustreerd boekwerk uitbracht met wetenschappelijke beschrijvingen van appels en peren. In de Nederlandstalige inleiding definieert hij pomologie als de “kennisse der vruchten, en bezonder van de appels en peeren”. Het woord pomologie is dus in het Nederlands gemunt. Via vertalingen en navolgingen van Knoops werk is de term als uitleenwoord internationaal bekend geworden.

Fruiten
Ook in de etymologie geldt: niet alles waar fruit op staat, bevat ook fruit. Al eeuwenlang kent het Nederlands het werkwoord fruiten. In 1625 schreef Jacob Cats pasgetrouwde vrouwen voor: “Leert braden na den eysch, leert sieden en het stoven, / Leert fruyten in de pan, en backen in den oven.” Tegenwoordig spreken we bij vlees eerder van braden en bij onderdompelen in heet vet van frituren, maar nog steeds als er kleine stukjes ui, paprika of andere groenten in kokend vet worden bruingebakken, noemen we dat fruiten. In de Middeleeuwen vinden we naast friten de nevenvormen frijten, froyten en fruten. Het Middelnederlandse werkwoord friten is ontleend aan het Oudfranse frire (‘roosteren’), dat we ook tegenkomen in de woorden frituren en friteuse. De culinaire term fruiten heeft dus niets te maken met fruit, wel met friet.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2013), ‘Fruit’, in: Onze Taal 9, 239.]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

fruit zn. ‘verzamelnaam voor vruchten’
Mnl. bome ... die niet ne draghet goet fruvd ‘bomen die geen goede vrucht dragen’ [1285; CG II, Rijmb.], appelen, peeren & ander fruut [1290-1300; CG I, 1337], ook als telbaar zn. ‘vrucht’ die frute waren yrekent ‘de vruchten waren afgerekend’ [1302; MNW].
Ontleend aan Frans fruit ‘plantenvruchten’ [ca. 1165; Rey]. Dit woord betekende eerder algemeen ‘opbrengst’ [10e eeuw; Rey] en is ontwikkeld uit Latijn frūctus ‘opbrengst; voordeel’, een afleiding van de stam frūg- van het werkwoord fruī ‘gebruiken, genieten’, dat verwant is met → gebruiken. Ook in het Latijn onderging fructus de betekenisontwikkeling naar ‘oogst’, ‘product uit de aarde of van een boom’, waaruit Nederlands → vrucht is ontstaan.
Het Middelnederlands laat verschillende spellingen zien, zoals froit, froeyt, freuit, die wrsch. de diverse individuele of plaatselijke uitspraken representeren. Fruut en frute waren echter het gebruikelijkst, en hieruit is door diftongering de huidige standaardtalige vorm fruit ontstaan.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fruit [vruchten] {fruut, fruit 1285} < frans fruit [vrucht] < latijn fructus [genot, opbrengst, oogst, vrucht], van het ww. frui (verl. deelw. fructum) [genieten, gebruiken] (vgl. frugaal, vrucht).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

fruit

Fruit is de verzamelnaam voor vruchten die al dan niet toebereid worden gegeten. Het woord fruit is zelfs hetzelfde als het woord vrucht, dat wil zeggen: beide woorden zijn afstammelingen van het Latijnse woord fructus dat weer verwant was met het werkwoord fruor: van iets genieten. Fructus is dus: datgene waarvan men geniet. In het Frans werd dit: fruit, uitgesproken fru-i en dit werd, blijkbaar uit de geschreven taal, in het Nederlands als fruit overgenomen. Maar het Latijnse fructus leverde ook het Duitse Frucht op en dit werd Nederlands vrucht, een woord dat een veel bredere betekenis heeft gekregen dan fruit. Vrucht is immers behalve ooft ook: voortbrengsel (de ongeboren vrucht) en: resultaat (de vrucht van zijn arbeid).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

fruit znw. o., mnl. fruut, froit v. o. ‘fruit, boomvrucht’ < ofra. fruit < lat. fructus. — Zie ook: vrucht.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

fruit znw., gew. o., mnl. fruut, froit (oi = öü of öi) o. v. “fruit, boomvrucht”. Uit ofr. fruit (< lat. fructus) “vrucht”. Vgl. vrucht.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

fruit. Voor de diphthong zie bij fluit Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

fruit o., Mnl. fruut, uit Fr. fruit, van Lat. fructum (-us) = vrucht (z.d.w.).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

fruit (Frans fruit)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Fruit, van ’t Fr. fruit en dit van ’t Lat. fructus = vrucht.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

fruit ‘vruchten’ -> Berbice-Nederlands frutu ‘vruchten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

fruit vruchten 1285 [CG Rijmb.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut