Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

front - (voorzijde)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

front zn. ‘voorzijde’
Vnnl. front ‘voorzijde van een gebouw’ [1649; WNT], ‘voorste legereenheid’ [1683; WNT]; nnl. front ‘raakvlak tussen twee luchtlagen’ [1950; van Dale].
Ontleend aan Frans front ‘voorzijde’ [ca. 1225; Rey], eerder al ‘voorste legereenheid’ [1165; Rey]; beide zijn latere betekenisovernames uit het Latijn bij een woord dat eerder al ‘voorhoofd’ betekende [1080; Rey] en dat is ontwikkeld uit Latijn frōns (genitief frontis) ‘voorhoofd, voorzijde, boeg’, zie → frons.
Als militaire term wordt front sinds de Eerste Wereldoorlog, tijdens welke op veel plaatsen de voorste linies met loopgraven → frontaal tegenover elkaar lagen, ook algemener gebruikt als ‘gevechtsterrein’. In de meteorologie is een front de voorkant van een warmere of koudere luchtlaag die over of onder een andere luchtlaag beweegt en op die plaats meestal slecht weer veroorzaakt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

front [voorzijde] {1683} < frans front [voorhoofd, voorkant, eerste gelid] < latijn frontem, 4e nv. van frons [voorhoofd, gelaat, voorzijde, voorste gelid].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

front

In couranten leest men soms het woord volksfront voor een bepaalde politieke samenwerking van verschillende partijen. Het is een vertaling van het Franse front populaire. De eigenlijke betekenis van het Latijnse woord frons, waarvan ons woord front via het Frans is afgeleid, is: voorhoofd, gelaat en vandaar: voorzijde van een bouwwerk, gevel, maar ook: voorzijde van een troep soldaten, eerste gelid. Vandaar uitdrukkingen als: front maken, voor het front komen, met iets voor het front komen, die ook figuurlijk worden gebruikt in betekenissen als: pal staan, zich vertonen, met een denkbeeld of verzoek voor de dag komen. In het Nederlands, maar niet in het Frans wordt front ook gebezigd voor wat men vroeger een halfhemdje noemde: een gesteven stuk katoen dat voor de borst werd gedragen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

front znw. ‘voorzijde van een gevel; 1ste gelid van troepenafdeling’ < fra. front < lat. fronte- (nom. frons) ‘voorhoofd’.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† front znw. o. Nnl. uit fr. front < lat. frons. Ook in andere talen ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

front o., uit Fr. id., van Lat. frontem (frons) = voorhoofd.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Fronte snw. (mv.), aanstellings, fiemies. Vol fronte wees. – J. de Vries Az. 71: “Fronten, kuren.”

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

front ‘voorzijde’ -> Indonesisch front ‘voorzijde; eerste gelid van een troepenopstelling’; Sranantongo fronti ‘bepaald geveltype’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

front voorzijde 1683 [WNT] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

584. Front maken,

d.w.z. pal staan, tot verweer gereed staan; eig. zich in slagorde stellen, zich tegenover zijnen vijand plaatsen. Onder het front verstaat men het voorhoofd (fr. front), de voorzijde; worden de soldaten nu tegenover den vijand geplaatst, dus met hun gezicht naar hem toe, dan maken zij front, dan stellen zij zich tegenover hem in slagorde (vgl. mnl. (-een) hovet maken, front makenMnl. Wdb. III, 697.; fr. faire front; eng. to make front to. Vandaar dat de uitdr. thans ook in den algemeenen zin van zich tegenover iemand stellen (bijv. een politieken vijand) wordt gebruikt; hd. Front machen. Uit de algemeene beteekenis van voorzijde ontwikkelde zich die van de voorste rij in eene legerafdeeling; vanwaar de uitdr. voor het front komen, d.w.z. voor het voorste gelid komen, dus vóor de troepen komen; en sedert de 18de eeuw in algemeenen zin, ook waar niet bepaald van soldaten sprake is, voor den dag komen, te voorschijn komen (bijv. van een schooljongen: vóór de klasse komen); vgl. fri. hy doar (durft) wol foar 't front komme. Zie Ndl. Wdb. III, 4695.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut