Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

frommelen - (onrustige met de vingers bewegen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

frommelen ww. ‘kreukels maken; op een rommelige manier wegstoppen; onrustige bewegingen met de vingers maken’
Eerst zonder -r-: vnnl. fommelen ‘doen kreuken’, bijv. in befommelt ‘met kreukerige haren’ [1621; WNT befommelen], sy fommelt [het] in den sack ‘ze propt het weg in haar zak’ [1626; WNT fommelen], haar bed ongefommelt ‘zonder kreuken’ [1642; WNT vlam I], in malkanderen fommelen ‘verkreuken’ [1710; WNT fommelen]; ‘(liefkozend) betasten’, bijv. in gefommelt, en gesmoddermuilt ‘betast getongzoend’ [1698; WNT fommelen] en nnl. allerhande bruieryen van fomlen en etcetera ‘allerlei gedoe van betasten et cetera (dat in bed gaat plaatsvinden)’ [1712; WNT]. De vorm met -r- is ongeveer even oud: vnnl. Een verrompelt, Een verfrompelt, Een verschrompelt Monster-dier [1639; WNT verfrommelen], frommelen ‘kreuken, rommelen, morrelen’ [1691; Sewel NE]; nnl. 't frommelen en troetelen ‘knuffelen’ [1710; WNT].
Frommelen is ontstaan als nevenvorm van het gelijkbetekenende fommelen met epenthetische -r-. De combinatie fr- komt, evenals de combinatie fl-, veel voor in woorden met klankexpressieve waarde, maar mogelijk is er ook invloed geweest van woorden als rompelen ‘rimpels krijgen, kreuken’, rommelen (zie → rommel) en wrongelen o.a. ‘kronkelen’ [16e eeuw] (zie → wrongel ‘gestremde melk’, maar ook o.a. ‘geheel van ineengestrengelde draden’). Van fommelen is de herkomst niet zeker. Men vermoedt dat het is ontstaan uit femelen, fijmelen, oorspr. ‘vlas of hennep plukken’ [16e eeuw], later ook ‘met de vingers onrustig betasten, friemelen’, zie → femelen. De overgang van /ē/ of /ī/ naar de ongespannen /o/ in fommelen blijft echter problematisch, maar zou verklaard kunnen worden door het affectieve karakter van het woord, dat in het algemeen gemakkelijk klinkerwisselingen kan veroorzaken.
Een andere theorie is dat frommelen geen nevenvorm van fommelen is, maar met assimilatie van -mp- > -mm- ontstaan is uit frompelen < verrompelen ‘verkreukelen’. De -p- in de attestatie van 1639 zou dan oorspronkelijk zijn en niet zijn veroorzaakt door rijmdwang.
Het Middelnederduits heeft fummelen ‘rusteloos met de handen bewegen, doelloos bewegen’ (waaruit Hoogduits fummeln ‘zoekend betasten, zinloos om zich heen slaan’ en Zweeds fumla ‘onhandig rondtasten, stuntelen’) en ook fimmelen ‘zoekend betasten’. Fries fimelje ‘friemelen’ is pas 19e-eeuws (Philippa 1994) en Engels fumble ‘met de vingers betasten, friemelen’ [1534; OED] is wellicht ook aan het Nederduits ontleend.
Lit.: M. Philippa (1994), ‘Tussen friemelen en fröbelen’, in: OT 63, 24; Hoptman 2000

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fommelen* [frommelen] {1626} affectieve vorming naast frommelen.

frommelen* [friemelen] {ca. 1710} klanknabootsend woord, vergelijkbaar met fribbelen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

fommelen ww., waarnaast met een emfatische r (J. de Vries, Mélanges F. Mossé 1960, 467-85) frommelen, vgl. nhd. fummeln, nnoorw. nzw. fumla; in het noordgerm. met rijke klankvariatie: nnoorw. zw. fimla ‘met de handen betasten’, mnd. fimmelen en zw. famla, nde. famble, nnd. fammeln; alles affektieve woordvormingen, waarvan de oorsprong in het duister ligt. — Zie verder: femelen.

frommelen ww., een typisch affectief woord, met emfatische r gevormd uit fommelen. Wanneer wij daarnaast vinden nnd. (holst-pomm.) wrümmeln ‘frommelen’ (vgl. ook wvla. wrommel ‘wrongel, stremsel’), dan zien wij hoe de woordgroepen met fr en wr (zie: wriemelen) door elkaar lopen.

verfrommelen, verfommelen ww., samenstelling van fommelen.

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

pei-m(i)- ‘rasch, flink’?, Nur kelt. und german.

Air. ēim (*peimi-) ‘rasch, flink’; aisl. fimr ds., orð-fimi f. ‘Gewandtheit in Worten’; aber norw. fimra ‘umhertappen’, mnd. fimmelen, fimmeren ds., engl. dial. fimble ds.; schwed.famla, fumla, ndd. fummeln, engl. fumble ‘umhertappen’ sind deutlich lautnachahmend.

WP. II 11, Sommer IF. 51, 247.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

frommelen ww., nog niet bij Kil. Een jong woord. Misschien met aan de N.Holl. uitspraak beantwoordende spelling uit *wrommelen: vgl. Zaansch frommel: wvla. wrommel “wrongsel, stremsel”, pomm.-holst. wrümmeln “frommelen”. Dan is *wrommelen, frommelen een afl. — met secundaire nasaalwisseling ŋ : m — van den stam van wringen, en fommelen een nog jongere vorm.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

frommelen. Wellicht is in dit ww. opgegaan Kil. verrompelen ‘corrugare’ (mnl. verrompelt ‘gerimpeld’) vgl. zovla. frompelen ‘frommelen’. Deze woorden behoren tot de groep van rimpel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

fommelen o.w., + Hgd. fummeln, Eng. to fumble; daarnevens Mndd. fimmelen, Eng. to fimble, Noorw. fimla en Ndd. fammelen, Eng. to famble, Zw. famla, De. famle: oorspr. onbek.

frommelen o.w., bij Jonctijs frompelen + Eng. to frumple: oorspr. onb. z. fommelen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

froemele, fromele (ww.) wegstoppen, frommelen; Nuinederlands frommelen <1710>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

foemelen, ww.: prutsen, frommelen, frutselen; knuffelen. D. fummeln ‘frutselen’, E. to fumble ‘morrelen (aan)’, Zw. fumla. Mnd. fummelen ‘zwaaien’, Ndd. fummeln ‘rondtasten, rondlopen’. Wellicht ablautend bij Mnd. en D. dial. fimmelen ‘rondtasten’.

fommelen, ww.: frommelen, prutsen. Vgl. D. fummeln ‘frutselen, peuteren, frunniken’, E. dial. to fumble, N., Zw. fumla. Afl. aanfommelen ‘haastig en slordig aankleden’.

fuimelen, ww.: liefkozend handtastelijk zijn. D. fummeln ‘frutselen, friemelen, prutsen, frunniken, knutselen, stoeien’. Mnd. fummelen ‘(met de handen) zwaaien’, Ndd. fummeln ‘zoekend rondtasten’. E. to fumble ‘tasten, morrelen aan’. Zie ook femelen.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

prommelen ww.: frommelen, ergens in stoppen. Door wisseling pr/fr < frommelen, volgens De Vries met emfatische (epenthetische) r naast fommelen, te vergelijken met D. fummeln ‘frutselen, peuteren, frunniken’, E. dial. to fumble, N., Zw. fumla. M.i. veeleer te vergelijken met Ndd. wrümmeln, wrummeln ‘frommelen, samenproppen’, freq. van wringen, met klinkerronding door de labiale w, m, vgl. Wvl. wrobbelen/wribbelen. Voor ng > mm, vgl. Wvl. wrommel < wrongel, en vgl. prommelinge.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

fompelen (W), ww.: kreuken, rimpelen. Door r-elisie uit frompelen. Ook verfompelen (W).

frommelen (G), frompelen (E, G, ZO), prommelen (ZV), ww.: kreuken, verkreukelen, ergens in proppen. Frommelen ook Kortrijks. Frommelen door ass. mp/mm < frompelen (zie i.v.). Prommelen door fr/pr-wisseling (vgl. Wvl. prut/frut). Volgens De Vries met emfatische (epenthetische) r naast fommelen, te vergelijken met D. fummeln 'frutselen, peuteren, frunniken', E. dial. to fumble, N., Zw. fumla. Of (m.i. veeleer) te vergelijken met Ndd. wrümmeln, wrummeln 'frommelen, samenproppen', freq. van wringen, met klinkerronding door de labiale w, m; vgl. Wvl. wrobbelen/wribbelen. Voor ng > mm, vgl. Wvl. wrommel < wrongel. Afl. verfrompelen.

frompelen (E, G, ZO), frommelen (G), ww.: kreuken, verkreukelen. Ook Kortrijks. Door samentrekking (elisie van doffe e) van verrompelen, afl. van rompel 'rimpel'. Of door p-epenthesis uit frommelen.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1frommel ww. Ook frummel.
1. Onrustige bewegings met die vingers en (of) hande maak, dikw. met die bygedagte aan deurmekaarmaak, inmekaardruk of kreukel. 2. Tussen die vingers of hande vrywe. 3. Deurmekaarwoel, inmekaardruk, kreukels maak in.
Uit Ndl. frommelen (1710) 'kreukels maak', wsk. uit wrommelen en 'n betreklik jong afleiding, met veranderde nasaal, van wringen. Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880) in die bet. '(iemand) skop, slaan en smyt'.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

frompelen, frommelen (K), prommelen (GG: Lampernisse), ww.: kreuken, verkreukelen. Door samentrekking (elisie van doffe e) van verrompelen < Wvl. rompel (zie i.v.) ‘rimpel’. Let op de fr/pr-wisseling, vgl. prut/frut. Vgl. frinkelen/fronkelen.

fummelen (DB, DF), ww.: verfomfaaien, kreuken (DF), met de vinger uitschieten bij het knikkeren (DF). Vgl. Ndl. dial. fommelen, frommelen. D. fummeln ‘frutselen, friemelen, frunniken’, Mnd. fummeln ‘zwaaien, doelloos weg en weer lopen’, Ndd. fummeln ‘rondtasten, doelloos rondlopen’, Mnl. fimmelen ‘zoekend rondtasten’, Zw. fumla ‘rondtasten, knoeien’, E. to fumble ‘struikelen, knoeien, klunzen’.

verfrommelen (K), ww.: kreuken, verkreukelen; zie frompelen.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

from’melen (frommelde, heeft gefrommeld), in de war brengen. Zie Cairo 1979b: 114. - Etym.: De SN bet. is een fig. gebr. van AN f. (overg.) = kreukelend ineendrukken. - Zie ook: gefrommeld*.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

frommelen ‘friemelen’ -> Sranantongo from(r)u ‘friemelen; valse plooi’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) frumple-up ‘rimpelen, kreukelen’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

frommelen* friemelen 1710 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal