Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

frituur - (frietkraam; in kokend vet gebakken voedsel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

frituur zn. (BN) ‘frietkraam’; (NN) ‘in kokend vet gebakken voedsel’
Vnnl. frituur ‘in kokend vet gebakken voedsel’, bijv. Frituer van Schapen vleysch [1599; WNT]; nnl. frituur “(Z.-N.) kermiskraam, waar fritten en ander gebak worden verkocht” [1937; Koenen].
In de oude betekenis ontleend aan Oudfrans friture ‘in kokend vet bereid voedsel’ [ca. 1120; Rey], dat teruggaat op Laatlatijn frictura, een afleiding van frīgere ‘roosteren’, zie → fruiten.
In het Frans is de betekenis van friture enerzijds vernauwd tot ‘gebakken vis’ en anderzijds verschoven naar de actie ‘het braden of frituren’. Wrsch. is uit dit laatste metonymisch, en uitsluitend in het Belgisch-Frans en vandaaruit het BN, de betekenis ‘plaats waar wordt gebakken of gefrituurd’ ontstaan, i.h.b. ‘frietkraam’ en bij uitbreiding ‘winkel waar vers gebakken patates frites wordt verkocht’. Ook in het zuiden van Nederland komt frituur in deze toepassing voor; noordelijker is → snackbar de standaard. Het Franse woord voor een frietkraam is friterie.
In het huidige NN gebruik is frituur ook een verkorting van frituurpan; dit als gevolg van het toegenomen gemak van het thuisfrituren in het laatste kwart van de 20e eeuw door de invoering van de elektrische frituurpan.
frituren ww. ‘bakken in kokend vet’. Nnl. frituren “het in olie dompelen en aldus bakken van aardappelen, vis, croquetten e.d.” [1947; WNT Aanv.]. Afleiding van frituur, i.h.b. waar dat als eerste lid in samenstellingen (bijv. frituurvet [1910; WNT papegaai], frituurpan [1920; WNT]) voorkomt en het dus ook als werkwoordsstam geïnterpreteerd kan worden. ♦ friteuse zn. ‘frituurpan’. Nnl. friteuse ‘id.’ [1974; Reinsma 1975]. Ontleend aan Frans friteuse ‘id.’ [1954; Rey], afleiding van frire.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

frituur [in kokend vet gebakken spijs] {1599} < frans friture < vulgair latijn ∗frictura, van frigere (verl. deelw. frictum) [roosteren] (vgl. fruiten).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

frituur ‘in kokend vet gebakken spijs’ -> Sranantongo frita ‘in kokend vet gebakken spijs, gehaktbal’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

frituur in kokend vet gebakken spijs 1599 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut