Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

frites - (in olie gebakken aardappelreepjes)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

friet zn. ‘in olie gebakken aardappelreepjes’
Nnl. frit, meestal als mv. fritten “in stukjes gesneden en in gesmolten vet gebakken aardappelen” [1926; Koenen], ‘in olie gebakken aardappelreepjes’ [ca. 1930; Stroop 1972]. De huidige schrijfwijze staat pas later in de woordenboeken: friet, frites [1954; WL], friet [1961; van Dale], frites [1971; Wolters NE], frites, frieten [1974; Koenen].
De spreektaalvorm friet, in de schrijftaal ook wel gespeld als frit (mv. fritten), is een verkorting van patates frites [1933; WNT uierboord], ontleend aan het Belgisch-Frans, met letterlijke betekenis ‘gebakken aardappels’, uit patate ‘aardappel’, zie → patat, en de vrouwelijke meervoudsvorm van frit, het verl.deelw. van frire ‘braden’ [1668; Rey], eerder ‘roosteren’ [1180; Rey], dat is ontwikkeld uit Latijn frīgere ‘roosteren’, zie → fruiten.
Patates frites is de oorspronkelijke benaming, afkomstig uit Brussel, de bakermat van dit gerecht. Volgens Stroop (1972) hebben woord en zaak zich vanuit het zuiden geleidelijk over het hele Nederlandse taalgebied verspreid, het gebied boven de grote rivieren pas na de Tweede Wereldoorlog. De volledige benaming bleef nog lang de schrijftaalvorm, maar in de spreektaal werd zij verkort. Verkorting tot het tweede, meer beklemtoonde, lid frites vond plaats in het Nederlands van beneden de grote rivieren, verkorting tot eerste lid patat gebeurde in het Nederlands van boven de grote rivieren, met daarnaast de vorm friet als vrijwel gelijkwaardig synoniem. In het Zuid-Nederlandse taalgebied bestond al patat ‘aardappel’ en gebruikt men alleen de verkorting friet, in België meestal in de meervoudsvorm frieten en niet alleen in de spreektaal ook dikwijls frietjes. Patat en friet worden beide gewoonlijk gebruikt als collectief begrip, met de bijbehorende verkleinwoorden patatje en frietje ‘(gekochte) portie patat/friet’; in thuistaal bestaan daarnaast ook de meervoudsvormen patatjes of frietjes.
Ook in Frankrijk hanteert men een verkorte vorm frites [1858; PRobert] als verkorting van pommes frites < pommes de terre frites, met daarin het traditionele Franse woord voor ‘aardappel’ (dat pas recentelijk, vooral in de volkstaal, steeds meer concurrentie ondervindt van patate). In Nederlandse restaurants wordt deze Franse vorm pommes frites ook wel gebruikt. In Duitsland worden Pommes frites tegenwoordig algemeen Pommes genoemd (met uitgesproken meervouds-s).
Lit.: J. Stroop (1972), ‘Een patat mét (... vragen !)’, in: Mededelingen van het Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde 24, 8-12; M. Philippa (1994), ‘Franse (?) versnaperingen’, in: OT 63, 120; Debrabandere (2000), 11-13 ‘Patat (en) Friet’

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

frites, friet [patat] {frit, fritte 1901-1925} < frans frites, eig. vr. mv. van frit, verl. deelw. van frire [bakken] < latijn frigere [roosteren] (vgl. fruiten).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

frites, friet in vet gebakken reepjes aardappel 1924 [GVD]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut