Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fret - (dier)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

fret 1 zn. ‘albinobunzing (Putorius furo)’
Mnl. furet ‘zeker bunzingachtig dier’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], dan (met syncope van de u die tot sjwa was geworden) fret ‘id.’ [1479; MNW-P]; ook bestond het werkw. foretteren ‘met fretten jacht maken op konijnen’ [1391; Stall. I, 427].
Ontleend aan Frans furet ‘id.’ [13e eeuw; Rey] (hieruit ook Engels ferret ‘id.’), ontwikkeld uit vulgair Latijn *furittus, verkleinwoord van klassiek Latijn fūr ‘dief’, dat verwant is met Grieks phṓr ‘dief’, letterlijk ‘hij die wegdraagt’, verwant met phérein ‘dragen’, zie → baren.
Het dier is dus oorspr. genoemd naar zijn opvallendste instinct. De fret was zeer geschikt voor en werd vooral gebruikt bij de hazen- en konijnenjacht. Aan het Nederlands ontleend is Duits Frett [16e eeuw; Pfeifer] (vaker als verkleinwoord Frettchen).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fret1 [dier] {foret, fret 1287} < frans furet [idem] < middeleeuws latijn furet(t)us, van latijn fur [dief] → furunkel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

fret 1 znw. o., diernaam, mnl. foret, furet, fret < ofra. furet naast fuiret, gevormd bij fuiron < vulg. lat. *furio, een afl. van lat. furo ‘dief’, dat reeds vroeg in de bet. van ‘fret’ voorkomt. De naam betekent dus eig. ‘kleine dief’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

fret znw. o., mnl. foret, furet, fret o. Komt evenals Teuth. fret, hd. frett o. (sedert de 16. eeuw) uit ofr. furet (= it. furetto, mlat. furetum, wsch. van lat. fûr “dief”). Voor de ndl. vormen vgl. borat.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

fret 1 o. (dier), Mnl. fret, foret, uit Fr. furet, van Mlat. furetum, dimin. van klass. Lat. furo = bunzing, en dit afgel. van fur = dief, gelijk Gr. phōr = id., van den wortel van baren, met de bet. van wegdrager.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

fret (de, -ten), goudkleurige ichneumon (Grzimek XI: 193) of mungo, een in Suriname ingevoerd roofdiertje, oorspr. uit Zuid-Azië (Herpestes auropunctatus). Zie Husson 11. - Etym.: AN f. = gekweekte albinovorm van de ‘bunzing’, een klein roofdier o.m. in Ned. (Putorius foetidus). - Syn. mongoes*.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

fret ‘marterachtige’ -> Duits Frett(chen) ‘marterachtige’; Deens fritte ‘marterachtige’ (uit Nederlands of Nederduits); Pools fretka ‘marterachtige’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

fret marterachtige 1287 [CG NatBl] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut