Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

freelancer - (losse medewerker)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

freelance bn. ‘zonder duurzaam contract’
Nnl. free lance [1950; de Vooys], hij was journalist, free lance ‘zonder duurzaam contract’ [1955; WNT Aanv.], free-lance cineast [1969; WNT Aanv.]; aanvankelijk ook wel als zn.: een freelance is ... een avonturier [1961; WNT Aanv.].
Ontleend aan Engels free-lance (zn.) ‘iemand zonder duurzaam contract’ [1822; OED], ook bn. ‘zonder duurzaam contract’. Eerder had de term betrekking op niet-partijgebonden politici [1864; OED], maar de term werd geïntroduceerd door de Schotse schrijver Sir Walter Scott in zijn Ivanhoe met de betekenis ‘middeleeuwse huursoldaat’ [1820; OED], letterlijk ‘vrije lans’. Deze militaire avonturiers boden tegen betaling hun wapen en diensten aan, ongeacht aan welke meester en ongeacht voor welk doel. Van de 14e tot de 16e eeuw waren er in Europa, en vooral in Italië, grote groepen ‘free lances’.
In het Engels duidde free-lance aanvankelijk een persoon aan. In het Nederlands werd freelance aanvankelijk ook gebruikt voor de persoon, maar daarvoor in de plaats kwam algauw de morfologisch duidelijker gemarkeerde afleiding freelancer. Freelance kreeg daarna, evenals in het Engels vanaf 1901 het geval was (OED), het eerst in attributief gebruik in samenstellingen als freelance-journalist [1961; WNT Aanv.], de status van bijvoeglijk naamwoord of vaker bijwoord, zoals in: hij werkt freelance; de gebruikswijze van het woord komt nu overeen met die van voltijd (of fulltime) en deeltijd (of parttime).
freelancer zn. ‘iemand zonder duurzaam contract’. Nnl. freelancer ‘id.’ [1955; WNT Aanv.]. Zelfstandig in het Nederlands met het achtervoegsel -er (zie → -aar) afgeleid van het zn. freelance, dat in die periode nog hetzelfde betekende, of ontleend aan Engels freelancer ‘id.’ [1937; Merriam-Webster]. ♦ freelancen ww. ‘freelance werken’. Nnl. in ... waar hij zich free-lancend mee zou gaan bezighouden [1965; WNT Aanv.]. Misschien ontleend aan Engels free-lance ‘id.’, maar een zelfstandige Nederlandse afleiding van freelance ligt meer voor de hand.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

freelancer [losse medewerker] {na 1950} < engels free-lancer [lett.: vrije lansier, d.w.z. huursoldaat] (vgl. lansier).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

freelancer losse medewerker 1950 [De Vooys] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut