Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

frans - (van Frankrijk)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

Frans1 [van Frankrijk] {fransoys, francsch, vrancs, vrans 1350} < oudfrans françois (vgl. Française).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

frans 1 bnw., mnl. fransoys < ofra. françois < vulg. lat. franciscus afgeleid van de stamnaam der Franken.

frans 2 in de uitdrukking franse titel wordt wel verklaard < voorhandse titel. Maar Vercoullie Med. Vl. AW 1919, 491 merkt op dat sedert 1620 de hollandse drukkers dit titelblad van de franse uitgevers overnemen en dus te denken is aan ‘franse titel’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

fransch bnw. (in fransche titel), wordt wel voor een volksetymologische vervorming van voorhandsch gehouden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

Frans A, bn., (ook:) eigen aan, behorende bij Frans-Guyana, Frans Guyanees. Leo Victor is winnaar geworden van het door haar, ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan dit jaar, georganiseerde tournooi. Behalve de jubilerende club namen er aan deel Transvaal en de franse clubs Mont Joly en Sport Guyanais (WS 3-11-1984). - Etym.: ln AN heeft F. (bijna) altijd betrekking op Frankrijk. Zie ook Fransman*.
— : Franse birambi: zie fransmanbirambi*.
— : Frans coupé (de), (uitspr. koepee’), 1. (niet alg.) dameskapsel gekenmerkt door een knoet van in de rondte gedraaid haar. - 2. kort en opgeknipt herenkapsel. Ik [een herenkapper] vraag ze altijd eerst wat ik voor ze moet knippen. Je hebt Frans coupé, je hebt Bougerty [zie Booker* T.]: helemaal plat* en de hele rand wordt geschoren (BN 121: 50; 1980). - Etym.: F coupé = geknipt. Vermoedelijk komt SN coupé van F en AN ‘coupe’ (uitspr. koep) = o.m. vorm, model (ook van haardracht). - Syn. van 1 ringbol*. Zie voor 2: trapsgewijs*.
— : de Franse kant, Frans Guyana. Haar broer is al zes maanden aan de Franse kant, ze hoort niets meer van hem (Hijlaard 42). - Etym.: S frans’sé (sé = zijde, kant). Gedacht kan worden aan ‘de Franse kant van de Marowijne, de grensrivier’.
— : zie Franse mope*.
— : B, zn.: Frans vertellen (vertelde, heeft verteld), iets wijs maken, op de mouw spelden. Laat hij je geen enkel Frans vertellen, Agatha (Vianen 1972: 6). - Etym.: S feteri was Frans. ‘No kon feteri mi no was Frans’ = Probeer me niet wat wijs te maken.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

Frans (Oudfrans françois)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

Fransen. De verwensing loop naar de Fransen! kennen wij in de betekenis ‘hoepel op’. De Fransen hebben in het verleden bij ons nog al huisgehouden, zo erg dat wij in geval van woede en andere frustraties iemand gemakkelijk willen toevertrouwen aan de ondeugden van dat volk, dat ook nog eens ver van de brandhaard van ons ongenoegen woont. Dat de Fransen bij ons in een kwalijk daglicht stonden, moge nog eens blijken uit de naam franse ziekte voor ‘syfilus’. In het Latijn heette dat de morbus gallicus. Ook: Fransoys: In de 17de eeuw, schrijft De Baere (1940: 147), werden tot de angstwekkende boze machten o.a. de toenmaals in Europa zo gevreesde Fransen gerekend. Zo zal het wel te verklaren zijn, dat uitroepen als by (honderd) duysent Fransoysen voorkomen. Zweren bij bevolkingsgroepen die geducht zijn, geeft aan iemands woorden meer kracht van waarheid. → Britten, Fransen, moor, Turk. In de 16de en 17de eeuw sprak men bij ons van Fransoysche siect.

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

franse In de betekenis ‘brandewijn’ in 1853 voor het eerst aangetroffen, in de zegswijze hij kan niet zien van al de Fransen voor ‘hij is dronken’. Brandewijn kwam oorspronkelijk uit Frankrijk, vandaar. De uitdrukking zal ook zinspelen op de Franse overheersing van de Nederlanden, tussen 1794 en 1814. In 1900 is de borrelnaam franse in Oost-Vlaanderen gesignaleerd, vervolgens in Gent en — onlangs — in Maastricht. Tegenwoordig wordt er ook ‘cognac’ mee aangeduid, en ‘glaasje sterke drank’ in het algemeen. In Zuidwest-Vlaanderen wordt een borreltje spottend Franse melk genoemd (zie bij melk). De Engelsen kennen als vergelijkbare benaming gin and French voor ‘cocktail van gin en droge vermouth’. Brandewijn werd in het Engels wel the French article genoemd.

[Herroem 70; Joos 1900:221; Liev.-Coopm. 396; Nav. 3:286; Nijm.vr. 80; Teirlinck 1908:435; WNT III1 4668]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

Frans ‘voornaam’ -> Indonesisch Pang ‘(eigennaam) Frans’; Javindo Pang ‘(eigennaam) Frans’.

Frans ‘van Frankrijk’ -> Zweeds fransk ‘van Frankrijk’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins ranskalainen ‘van Frankrijk’ ; Russisch chranéc, chránec ‘syfilis, de Franse ziekte’; Russisch dialect pránec, chranéc ‘scrofuleuse uitslag’; Russisch dialect francólja, fransólja; ook: franzólja, franzúl'ka ‘Frans brood’; Oekraïens pránci ‘syfilis’; Wit-Russisch práncy ‘syfilis (de Franse ziekte)’ ; Javaans Prancis ‘Frans(man)’; Japans Furansu ‘van Frankrijk; Frankrijk’; Sranantongo Frans ‘van Frankrijk, van Frans-Guyana’; Surinaams-Javaans Peras ‘Frans, Frans-Guyanees’ .

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

582. Daar is geen woord Fransch bij,

dat is duidelijke taal, voor ieder verstaanbaar Nederlandsch; gebezigd, wanneer men iemand in krasse of grove bewoordingen iets zegt en geen blad voor den mond neemt (hd. kein Blatt vor den Mund nimmt). Vgl. M.z.A.: 't Gaat er soms erg Spaansch toe, maar wat je er hoort is zuiver Hollandsch - geen woord Fransch er bij, zooals men wel eens zegt; Kalff, Het Onderwijs in de Moedertaal, bl. 129: Moet men gaan vermoeden dat de behoefte waarin dat boek voorzien zal, eigenlijk de behoefte van den bloemlezer aan een nieuw melkkoetje is, dan moet hem dat, in het belang van het onderwijs ‘met geen woord Fransch er bij’ gezegd worden; Schoolblad XLIV, 283: Daar is nu, zooals men zegt, geen woord Fransch bij; Antw. Idiot. 2136: Dat is plat Vlaamsch, dat is ronduit gesproken; verstade geen Vlaamsch, tot iemand die niet hooren of luisteren wil; Harreb. I, 162 b: Gij liegt het; dat is Duitsch (of Hollandsch): dat kunt gij verstaan; Ndl. Wdb. VI, 882: Dat is (goed) Hollandsch! dat is ronde, onverbloemde taal; in de 17de eeuw duitsch spreken (o.a. bij Huyghens, Hofwijck vs. 1457); fri. ik forstean gjin Frânsk, ik wil uw dubbelzinnige taal niet begrijpen. In vele talen wordt deze zegswijze op dergelijke wijze uitgedrukt; vgl. fr. parler français, parler clairement; hd. Deutsch reden, ohne Umschweife und Hintergedanken, frei heraus, kurz, klar und ehrlich grob; de. at tale Dansk med En; eng. to speak (plain) English; lat. latine loqui, eerlijk, openhartig spreken; Joos, 107: iemand Vlaamsch leeren, iemand afranselen.

2064. Met den (of een) Franschen slag,

d.w.z. niet degelijk, niet grondig, onnauwkeurig, slordig en half. In de 17de en 18de eeuw was de uitdrukking bekend als term in de rijkunst. Vgl. Gew. Weeuw. III, 6: Zy verstaan de Fransche slag, d.i. het klappen van de zweep; Van Effen, Spect. I, 30: Wy leiden 'er de Fransche slag eens over, en lieten hem de hielen van onze ruintjes zien; bl. 56: Ik ben tegenwoordig bezig met een Tractaatje te schryven, over de Konst van een Sweep wèl te handelen, beneffens een nauwkeurige beschryvinge van een nieuwe Fransche slag, die ik zelfs heb uitgevonden; bl. 80: Dat je maar een broddelaar bent, en de Fransche slag niet eens weet ter degen te slaan; Bartelink, Beemst. Kermis (1774), bl. 3: Men hoort (op eene paardenmarkt) den franschen zweepslag kletsen, door vaardig slingeren, terwijl de kooplien zwetsen; E. Wolff, Walcheren (1769), bl. 198: Jan slaat den Franschen slag en doet het (schoone span) lustig springen; zie ook Nav. III, bijbl. CXCI en Harreb. I, 195: Hij legt er de Fransche zweep overheen of hij slaat den Franschen slag; Jord. 133: Tusschen het gepel en gekook, beredderde ze de grienende kinderen, met franschen slag. Onder een Franschen slag zal men dus een bepaalden slag met een lange zweep moeten verstaan, wellicht een die los en zwierig is; vandaar kon met den Franschen slag de beteekenis aannemen van: op losse, zwierige wijzeVgl. Het Volk, 27 Mei r915, p. 1 k. 1: Het is wel geen bezem, waar de jonge professor mee werkt, het is eerder een zwabber - maar groot is het ding, waar hij mee zwaait, en hij doet het met een Franschen slag., luchtig, niet degelijk. In het fri.: him er mei in franske slach ôfmeitsje. In Noord-Holland zegt men: ergens een bolstaart van maken, er zich met een Franschen slag afmaken (De Vries, 66); in de Zaansche volkstaal: iets 'en streek van Pauw geven, iets met den Franschen slag doen (Boekenoogen, 734De beteekenis van ‘handigheid’ heeft Fransche slag bij J.J. Cremer, 't Hart op de Vêluw: Hoe 't zoo geloopen was, kos Bram zich eiges niet verkloaren, maar met 'en wondere Franse slag had die tolboas hum tot den aftocht bewogen.).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut