Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

frank - (bn. vrij; zn. volksnaam)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

frank 1 bn. ‘vrij, vrijmoedig, brutaal’
Mnl. in de vorm vranck(e) ‘vrij, veilig’ in hare juweele ... vranck houden ‘haar juwelen veilig bewaren’ [1337-78; MNW], de arme lieden ... liet hy vranc ende vry wechgaen ‘de arme lieden liet hij vrij en ongehinderd weggaan’ [1470; MNW], de betekenis ‘vrijmoedig, uitdagend; vijandig gezind’ blijkt uit het bw. vrankelik in vranclijc hi op hem reet ‘hij reed uitdagend op hem af’ [1460-80; MNW-R]; vnnl. vranck ofte vry ‘vrij, beschermd, veilig’ [1573; Thes.], vranck ‘vrij’ [1599; Kil.], In het Nieuwnederlands meestal frank.
Hetzelfde woord als de naam van de Germaanse stam der Franken, in het Latijn als Francus ‘Frank’ sinds de 3e eeuw opgetekend. De betekenis ‘vrij’ komt voor het eerst voor in middeleeuws Latijn francus, in een decreet van Childebert II uit 596. Deze betekenis moet secundair zijn ontstaan door de tegenstelling tussen de Franken en de door hen onderworpen Galloromeinen die (vaak) lijfeigenen waren. In het Nieuwnederlands is het woord opnieuw ontleend aan of aangepast aan Frans franc ‘vrijmoedig, openhartig’ dat teruggaat op Oudfrans franc ‘vrij’ [ca. 1050; Rey], ook van personen ‘vrij, niet gebonden’ [1080; Rey], en van daaruit ook ‘vrij sprekend’ en zodoende ‘vrijmoedig, openhartig’ [15e eeuw; Rey].
Over de etymologie van pgm. *franka-, dat aan de Latijnse naam ten grondslag ligt, bestaat geen zekerheid. De oorspr. betekenis van het bn. was wellicht ‘onstuimig, wild, dapper’. Aan de Franken worden bij Latijnse en Griekse auteurs vaak die eigenschappen toegedicht. Als die betekenis klopt, dan heeft men wrsch. te maken met een genasaleerde vorm *franka die behoort bij de wortel pgm. *frek-, *frōk- ‘dapper, onstuimig’, waarvoor zie → vrek. De in dit verband vaak aangehaalde woorden on. frakki ‘werpspeer’ en oe. franca ‘speer’ gaan wrsch. terug op de naam van de Franken en waren een aanduiding van het Frankische wapen; hiermee vergelijkbaar is de naam van de Saksen, die is afgeleid van het voor hen kenmerkende zwaard dat *sahsa- werd genoemd.
De al Oudnederlandse klankontwikkeling f > v is bij dit woord in het Nieuwnederlands weer tenietgedaan door hernieuwde ontlening of aanpassing aan Frans franc, behalve in de allitererende uitdrukking vrank en vrij. De Bo tekent overigens in Brugge in 1873 nog vrank op, en in het West-Vlaams zegt men nog Vrankrijk.
Nederlandse woorden die uiteindelijk op ditzelfde woord teruggaan, zijn: via het Italiaans → franco ‘vrij van verzendkosten’; via het Duits en het Italiaans → frankeren, letterlijk ‘franco maken’; via het Frans en het Engels → franchise; via het Frans de muntnaam → frank 2.
Lit.: J. Franck (1907), ‘Der Name der Franken’, in: Westdeutsche Zeitschrift für Geschichte und Kunst 26, 70-80; H. Tiefenbach (1973), Studien zu Wörtern volkssprachiger Herkunft in den karolingischen Königsurkunden, Münstersche Mittelalter Schriften 15, 52-56

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

frank1 [vrij] {vranc(k) [vrij, vrijmoedig] 1267} < frans franc < middeleeuws latijn francus, een germ. woord waarvan de verbindingen niet erg doorzichtig zijn.

Frank [volksnaam] {Vranke 1350} hetzelfde woord als frank1.

vrank [vrij] {1350} < frans franc (vgl. frank1).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vrank, frank bnw., mnl. vranck ‘vrij, vrijmoedig, moedig’, evenals nhd. frank ‘vrij’, ne. frank ‘vrijmoedig’, onoorw. frakkr ‘moedig’, nzw., nde. frank teruggaand op fra. franc ‘vrij, vrijmoedig’ < mlat. francus ‘frankisch’. Daar de frankische heersende klasse de vrijen omvatte, kon de volksnaam de bet. van ‘vrij, moedig’ krijgen.

De volksnaam staat in verband met een woord voor werpspies oe. franca m. france v., on. frakka, waarvan de samenhang met oe. fercal ‘grendel’ meer dan een los vermoeden verdient te worden genoemd (zie daarvoor: vork). Zo zal de volksnaam (eig. de naam van ‘gefolgschaften’, die aan de invallen in Gallië deelnamen) afgeleid zijn van de naam van het hoofdwapen (de speer als wapen van Wodan!), evenals de Saksen-naam samenhangt met het woord voor ‘kort zwaard’ *sahsa (waarvoor zie: mes).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vrank, frank bnw. Kil. vranck, franck, mnl. vranc “vrij, vrijmoedig, moedig”. Evenals nhd. frank, de. frank (in frank og fri) “vrij”, ouder-de. zw. eng. frank “vrijmoedig” uit fr. franc “vrij, vrijmoedig”. Dit = mlat. francus “Frankisch”. De bet.-ontwikkeling “Frankisch” > “vrij” lag in het Frankenrijk met zijn vele onvrije onderworpelingen zeer voor de hand. De volksnaam Frank, mnl. Franke, Vranke, ohd. Francho (nhd. Franke), mnd. Vranke, ags. Franca (eng. Frank), on. Frakki m. wordt gew. van ags. franca m. of france v. on. frakka v. “werpspies” afgeleid: vgl. Saks bij germ. * saχsa- “zwaard” (zie mes). De oorsprong van *fraŋkôn- (-an-) “werpspies” is onzeker. De combinatie met os. fërkal (m.?) “grendel, sluiting”, lit. pérgas “bootje” (*fraŋkôn- oorspr. “stang, stuk hout”) is slechts een los vermoeden, evenzoo die met framea, een uit lat. overlevering bekenden germ. wapennaam.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

vrank, frank. De volksnaam wordt ook wel geïdentificeerd met on. frakkr ‘moedig’ (dit als *fram-ka- bij de groep van vroom? Of — minder wsch. — als genasaleerde vorm in de familie van vrek?); het is dan beter ags. franca (-ce), on. frakka ‘werpspies’ hiervan te scheiden (:dat dit woord ospr. = ‘het frankische wapen’ zou zijn, is niet wsch.). Een onzekere combinatie van het ags. on. woord voor ‘werpspies’ is die met ksl. prǫžĭ ‘stipes’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

frank 1 bijv.(vrijpostig), uit Fr. franc, gelijk It. en Sp. franco, van Mlat. francum (-us), uit Germ. Franko = een vrij man. iemand van den stam der Franken, Gelijk de Saksen en Langobarden, hadden de Franken hun naam van hun wapen (Ags. franca = werpspies).

vrank bijv., gelijk Hgd. frank, uit Fr. franc, adj. van den volksnaam der heerschende Franken. Zij waren zoo genoemd naar hun wapen (Ags. franca, On. frakki = werpspies), gelijk de Saksen (z. mes) en de Langobarden (z. lommerd).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

frank, bn.: brutaal, vrijpostig, onbeschaamd. Mnl. vranc ‘vrij, vrijmoedig, vrijpostig’. Zoals D. frank ‘vrij’, E. frank ‘vrijmoedig’, On. frakkr ‘moedig’, Zw., De. frank < Ofr. franc ‘vrij’ < Mlat. francus ‘Frankisch’ > It., Sp., Port. franco. De Franken of Vranken waren de vrijen, zodat de volksnaam de bet. ‘vrij, moedig’ kreeg. De volksnaam zou teruggaan op Oe. franca, On. frakka ‘werspies’. Maar volgens D.P. Blok (De Franken in Nederland, Fibula-reeks) werd het wapen veeleer naar de Franken vernoemd dan omgekeerd. Mnl. vrank, vranke met v wijst echter veeleer op rechtstreekse voortzetting van Germ. frank (Germ. f > Ndl. v) dan op ontlening uit Fr. franc. Afl. frankaard ‘brutale jongen’, frankigheid ‘vrijpostigheid’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

frank bn.: brutaal, vrijpostig, driest. Ook Vl. Mnl. vranc ‘vrij, vrijmoedig, vrijpostig’. Zoals D. frank ‘vrij’, E. frank ‘vrijmoedig’, On. frakkr ‘moedig’, Zw., De. frank < Ofr. franc ‘vrij’ < Mlat. francus ‘Frankisch’ > It., Sp., Port. franco. De Franken of Vranken waren de vrijen, zodat de volksnaam de bet. ‘vrij, moedig’ kreeg. De volksnaam zou teruggaan op Oe. franca, On. frakka ‘werspies’. Volgens D.P. Blok (De Franken in Nederland, Fibula-reeks) werd het wapen veeleer naar de Franken vernoemd dan omgekeerd. Maar Mnl. vrank, vranke met v wijst echter eerder op rechtstreekse voortzetting van Germ. frank (Germ. f > Ndl. v) dan op ontlening uit Fr. franc.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

frank, bn.: brutaal, vrijpostig, driest. Mnl. vranc 'vrij, vrijmoedig, vrijpostig'. Zoals D. frank 'vrij', E. frank 'vrijmoedig', On. frakkr 'moedig', Zw., De. frank < Ofr. franc 'vrij' < Mlat. francus 'Frankisch' > It., Sp., Port. franco. De Franken of Vranken waren de vrijen, zodat de volksnaam de bet. 'vrij, moedig' kreeg. De volksnaam zou teruggaan op Oe. franca, On. frakka 'werspies'. Maar volgens D.P. Blok (De Franken in Nederland, Fibula-reeks) werd het wapen veeleer naar de Franken vernoemd dan omgekeerd. Mnl. vrank, vranke met v wijst echter veeleer op rechtstreekse voortzetting van Germ. frank (Germ. f > Ndl. v) dan op ontlening uit Fr. franc.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

frank, vrank, vrenk knikker (Limburg). Afl. van 16e-eeuws wranghen ~ wringen; knikkers werden van leem samengeperst.
Roukens 273-279, krt. 51.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

frank, vrank, bn.: brutaal, vrijpostig, driest. Mnl. vranc ‘vrij, vrijmoedig, vrijpostig’. In het Oostends betekent frank ook ‘stevig, hartig, smakelijk (voedsel)’, misschien via een Fr. bet. van franc ‘zuiver, echt’. Zoals D. frank ‘vrij’, E. frank ‘vrijmoedig’, On. frakkr ‘moedig’, Zw., De. frank < Ofr. franc ‘vrij’ < Mlat. francus ‘Frankisch’ > It., Sp., Port. franco. De Franken of Vranken waren de vrijen, zodat de volksnaam de bet. ‘vrij, moedig’ kreeg. De volksnaam zou teruggaan op Oe. franca, On. frakka ‘werpspies’. Mnl. vrank, vranke met v wijst echter veeleer op rechtstreekse voortzetting van Germ, frank (Germ, ƒ> Ndl. v) dan op ontlening uit Fr. franc.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

frank II: gew. in: – en vry; in Ndl. vroeër andersom: vrij en – ; Ndl. frank (al by vLin) uit Ofr. franc uit Ll. Francus, “’n Frank”, d.w.s. ’n “vrye, vryman”; hou verb. m. Eng. frank.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

frank ‘vrij, munt’ (Frans franc)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Frank (vrij), van ’t Fr. franc, afkomstig van den volksnaam Franken = de vrijen. Franco (van brieven) is een verkorting van ’t It. porto franco, letterlijk: gedragen vrij, dus vrij besteld; ook vertaald: portvrij. (Vgl. ’t Fr. porter = dragen, en ’t Hgd. Briefträger = brievenbesteller.)

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

Frank ‘volksnaam’ -> Frans franc, franche ‘vrij’ Frankisch; Frans franc ‘munt (in Frankrijk, België e.d.)’; Frans franc, franque ‘lid van bepaalde Germaanse stammen; (sinds de kruistochten) Europeaan (uit de havens in het oostelijke Middellandse Zeegebied)’; Bretons frank ‘vrij’ ; Maltees frank ‘lid van Germaanse stammen’ ; Koerdisch frank ‘munteenheid’ ; Perzisch farânk ‘oude muntnaam, munteenheid van onder andere Frankrijk en België’ ; Arabisch (MSA) firank, firanka ‘munteenheid’ ; Arabisch (klassiek) 'afrang, 'ifrang ‘Franken, (West-)Europeanen’ ; Arabisch (Egyptisch) firank, farank ‘munteenheid’ ; Arabisch (Marokkaans) frank ‘munteenheid’ ; Tamazight (Algerije) fṛank, fṛak ‘munteenheid’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

frank vrij 1267 [CG I1, 96] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

581. Frank en vrij,

ook geschreven vrank en vrij, wil zeggen: onbeschroomd, vrijmoedig. In de 16de eeuw, evenals ook nu, vrij en vrank, zie Hooft, Ger. v. Velzen, 432: Vry en vranck; Ann. 987: Vrank en veiligh; Vondel, Adam in Ball. vs. 1328: Zoo leeftge vranck en vry; Tuinman II, 104 en Halma, 752: Hij gaat vrij en vrank over straat, il marche franc et libre par la rue; Joos, 46: Vrij en vrank. Het adjectief vrank (frank) is ontleend aan het fr. franc, mlat. francus, Frankisch ‘De bet. ontwikkeling Frankisch > vrij lag in het Frankenrijk met zijn vele onvrije onderworpelingen zeer voor de hand’ (Franck - v. Wijk, 761). Ook in het fr. hd. en eng. (free and frank naast frank and free); de. fri og frank.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal