Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

frak - (kledingstuk voor buiten, overjas; langpandige herenrok)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

frak zn. (BN) ‘kledingstuk voor buiten, overjas’; (NN) ‘langpandige herenrok’
Nnl. frac, frak ‘mansrok’: net gekleet,... in een Frak met zilveren lissen [1782; WNT]. Uitsluitend BN en Zuid-Nederlands dialectisch is de betekenis frak ‘overjas’ [1865-70; Schuermans], eerder al als fracque [1773; Lievevrouw-Coopman].
Al dan niet via Duits Frack ‘herenrok’ [1774; Kluge21] ontleend aan Nieuwfrans frac ‘id.’ [1767; Rey], dat met herinterpretatie tot -a- van de destijds open uitgesproken -o- ontleend is aan Engels frock ‘id.’ [1719; OED] (in deze betekenis nu meestal frock-coat geheten). Van dit Engelse woord is de huidige betekenis ‘(dames- of kinder)jurk’ al ouder, maar de oudste betekenis is ‘monnikspij’ [1350; OED]. Het is ontleend aan Oudfrans froc ‘monnikspij’ [ca. 1155; Rey], dat bestond naast het middeleeuws-Latijnse froccus of floccus. Waarschijnlijk is froccus terug te voeren op Frankisch *hrokk en dan verwant met → rok; *hr- wordt klankwettig Frans fr-, zie ook → fronsen. Anderen beschouwen Latijn floccus als de oorspronkelijke vorm, en zien een verband met Oudfrans floc ‘vlok’, → vlok.
Oudfrans froc werd eerder al rechtstreeks ontleend als mnl. froc ‘overkleed van geestelijken, monnikspij’ [MNHW], met in het WNT nog attestaties tot in de 16e eeuw. Rechtstreeks ontleend aan Engels frock is bovendien frok ‘gestreepte borstrok van tricot bij zeelieden’ [1913; WNT frok], dat inmiddels ook verouderd is. Het moderne Frans heeft nog steeds froc ‘monnikspij’ naast het herontleende frac ‘geklede mansrok’.
Een frak was oorspr. een net herenkledingstuk (op het bovenlichaam) dat elke dag gedragen kon worden. Bij de veranderende mode (lange jassen werden steeds gewoner) veranderde de betekenis van het woord frak in de 18e eeuw in het Zuid-Nederlandse taalgebied mee. In Nederland nam → jas deze rol over en evolueerde de betekenis van frak juist de andere kant op, tot een chic herenkledingstuk dat alleen bij bijzondere gelegenheden wordt gedragen.
Lit.: Moerdijk 1979, 97-104

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

frak [jas] {1782} < frans frac of < hoogduits Frack < engels frock [idem] < oudfrans froc [monnikspij] > middelnederlands froc [overkleed van geestelijken, rok], uit het germ. oudsaksisch, oudhoogduits hroc, vgl. voor de overgang hr > fr, fronsen; hetzelfde woord als rok.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

frak znw. m. ‘langpandige herenjas’, in de 18de eeuw < nhd. frack (sedert 1774) < fra. frac (sedert 1750) < ne. frack, frock, dat zelf weer overgenomen is < fra. froc dat sedert de 12de eeuw ‘monnikspij’ betekent. Het fra. woord stamt weer uit frank. *hrōk, vgl. ohd. hroch (zeldzaam), oe. hroc, ofri. hrokk en dit is hetzelfde als rok.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

frak znw. Nnl. Evenals nhd. frack m. uit fr. frac. Dit brengt men wel in verband met fr. froc “monnikspij” (> eng. frock), dat door sommigen uit ʼt Germ. (rok I) wordt afgeleid.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

frak v., gelijk Hgd. frack, uit Fr. frac, wellicht een bijvorm van Fr. froc = monnikspij, dat teruggaat op Germ. rok (z.d.w.).

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Froekie Texelse volksnaam voor de Strandplevier [Albarda 1897]. B&TS 1995 noemen de namen Vroek(ie) en Frouk(ie) voor dezelfde soort en Dubbelde Vroek voor de verwante, iets grotere, Bontbekplevier.
Uit de verschillen in spelling en uitspraak blijkt al dat men de oorsprong van de betekenis van deze naam niet meer kent. Thijsse, die zich ontpopt als jager, geeft in De Levende Natuur deel 2 (1896) de volgende romantische ‘verklaring’: “De froekies liepen in wijde kringen om ons heen. Wat kan het volk toch mooie namen geven, dacht ik bij mijzelf, die snelle loopbeweging van deze diertjes kon onmogelijk beter weergegeven worden dan door de letterverbinding van fr: frrr, frrr ...: zo lopen de froekies over het zand.”
B&TS nemen als betekenis voor Vroek: “snelle loper” over, maar enig verder aanknopingspunt met een ww. voor ‘snel lopen’ of een vergelijkbaar woord in een verwante taal of verwant dialect, ontbreekt hier. De texelse uitdrukking “Lóópe as een vroek” [Dijksen 1992] wil natuurlijk nog niet zeggen dat ‘het snel en dribbelend lopen’ dat men hiermee aanduidt, in de betekenis van het woord vroek zelf is opgesloten.
Pannekeet 1990 vermeldt verouderd westfriese frok ‘borstrok’. Een borstrok werd vroeger veel gedragen, dus mag men veronderstellen dat de mensen de Bontbekplevier, die een brede zwarte of bruine band over de borst draagt, naar dit kledingstuk noemden: *Frokkie, letterlijk ‘borstrokje’ (Het verkleinwoord paste beter bij de Strandplevier, die een slagje kleiner is dan de Bontbek.) Op de Strandplevier zou dit dan wel minder van toepassing zijn, omdat bij deze soort de zwarte borstband dun en in het midden onderbroken is, maar zowel Bontbekplevier als Strandplevier hebben ook nog een witte, ‘nauw om de hals sluitende’ boord, die ook, of misschien zelfs nog beter, aan een eveneens nauw om de hals sluitende borstrok kan hebben doen denken (vgl. deens Praestekrave ‘domineeskraag’, als naam voor deze Pleviersoorten!).
ETYMOLOGIE frok: westfries frok ‘borstrok’, N frak ‘herenjas, jas van een kostuum’ (18e eeuw) en D Frack (sedert 1774) frac (sedert 1750) (met behoud van E uitspraak!) frok (14e eeuw) (>E frock) froc ‘monnikspij’ (12e eeuw) (>F froc) froc ‘overkleed (van geestelijken), rok, staatsiekleed’ *hroc (>N rok); de overgang hr- > fr- is een frans fenomeen na inlening van het germ woord; zo ook bijv. F flanc hlanca ‘heup’ [Mackensen 1985; Wilms 960120,3; VT 2000]. Fries rok ‘vrouwenrok, zwarte herenheupjas’ hrokk.
De tekens < en > geven hier een indicatie van het vele heen- en weergeleen [De Tollenaere 1997 p.138]. Zeker voor een modieus kledingstuk als een herenrok zal gelden dat de naam hiervoor min of meer ‘internationaal’ zal (geweest) zijn (vgl. bijv. hedendaags shirt (1913), jeans (1954) en jack (1968) [jaartallen uit Sijs 2001]).
De klinker in westfries frok stamt ws. nog uit het mnl froc; de westfriese borstrok heeft dan ook niet het modieuze internationale karakter van het herenkostuum en zo ontkwam het aan de uitspraakverandering (van o tot a) die het woord in het E ervoer.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

frak (Zuid-Nederlands) ‘jas’ (Frans frac)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

frak jas 1782 [WNT lus] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1475. Iemand den mantel uitvegen,

d.w.z. iemand een katje of een bekattering (Jord. I, 63; II, 121Vgl. bekatteren, beschuldigen (Peet, 61) en zie N. Taalgids X, 29.) geven, een standje maken, eene strenge berisping toedienen, hem scherp doorhalen. Eene ironische uitdrukking, die wordt aangetroffen bij Harreb. II, 65; Het Volk, 6 Oct. 1913, p. 1 k. 3; 29 Mei 1914, p. 1 k. 4; Hand. Staten-Gen. 1913, p. 2932; Ndl. Wdb. IX, 224; enz. Ze staat gelijk met iemand een pak aanpassen, iemand afkammenDe Arbeid, 19 Febr. 1914, p. 1, k. 3: Er moest afgekamd, gelasterd en gelogen worden., afveteren (Ndl. Wdb. I, 1706), afkwispelen, een kamming geven (Schuerm. 218 b); iemands frak uitborstelen of uitkloppen (Joos, 107 en Antw. Idiot. 431); iemands rug meten (Joos, 107); iemand den pels uitkloppen; iemand afrossen, - afborstelen; iemand zijn bol wasschen, een handschoentje passen, roskammen (Joos, 73), iemand afdrogen (Kl. Brab.), er met den rouwen borstel over gaan, iemand een droge borsteling geven (Antw. Idiot. 277; 278); schrobbeeren - eene schrobbeering geven, eene uitschuring geven (in Friesl.); iemand uitluchten; het haar uitkammen, iemand de kast uitkeren (uitvegen); fri. it hier ûtkjimme (Ndl. Wdb. V, 1408; 1409); het jak afschuieren (W. Leevend VI, 24); den rok uitvegen (Harreb. II, 226 b); iemand 't buis ûtvègen, 't jak ûtstükken (Draaijer, 7 a); den mantel afvegen (Abr. Bl. 3, 128); fri. immen de mantel utfege; utmantelje; gron. de moan (de maan van een paard) overhoalen; de boksem oetstubben; fri. immen ôfhimmelje (reinigen); enz.; fr. trousser la jaquette à qqn; hd. einem den Pelz, die Jacke ausklopfen; einen (ver)wamsen; eng. to dust a p's jacket.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut