Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

foyer - (koffiekamer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

foyer zn. ‘koffiekamer’
Nnl. foyer “de haard, haardstede; ook eene zaal in den schouwburg, alwaar men, na de vertooning en tusschen de bedrijven, tezamen komt” [1832; Weiland], ‘plaats waar men in de pauze en na een toneel- of muziekstuk kan samenkomen’ in in den foyer, op de ottomane (‘met kussens bekleed zitmeubel’) gezeten,... [1889; WNT ottomane], een groote artisten-foyer en (...) een artisten-rookfoyer [1923; WNT artist].
Ontleend aan Frans foyer ‘id.’ [foier ca. 1135; Rey], ontwikkeld uit vulgair Latijn *focarium ‘haard’, een substantivering van het klassiek-Latijnse bn. focārius ‘bij de haard behorend’, dat zelf is afgeleid van focus ‘haard, woning, gezin’, zie → focus.
Oorspr. was Frans foyer de plek waar vuur gestookt wordt. Metonymisch kon de betekenis zich uitbreiden tot ‘verwarmingstoestel op brandstof’ [1680; Rey], en, als centrale ruimte van een gebouw, ‘(plek waar een) huisgezin (woont)’ [1572; Rey], en nog later ‘koffiekamer, pauzeruimte voor toeschouwers of voor acteurs in een schouwburg’ [1752; Rey]; aangezien schouwburgen vroeger niet verwarmd werden, kon men zich in de pauze in de foyer gaan verwarmen. Een inheemse voorganger van de artisten-foyer uit 1923 is bijv.: “Warm-plaets der theater-speélders” [1809; WNT warmen]. Het Nederlands heeft foyer alleen met deze betekenis ontleend.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

foyer [koffiekamer] {1832} < frans foyer [huiselijke haard, foyer] < middeleeuws latijn focarium [haard], eig. o. van focarius [haard-], van focus [haard].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

foyer s.nw.
Voorportaal van 'n openbare gebou.
Uit Ndl. foyer (1832).
Ndl. foyer uit Fr. foyer 'voorportaal van 'n openbare gebou, verwarmde vertrek' uit Latyn focarium 'vuurherd', met lg. van focus 'vuur'. Die voorportaal word so genoem omdat teatergangers hier, as gevolg van verwarming, gesellig bymekaar gekom het.
D. Foyer (19de eeu).
Vgl. 1fokus.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

foyer (Frans foyer)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

foyer koffiekamer 1832 [WEI] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut