Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fout - (verkeerde handeling; gebrek)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

fout zn. ‘verkeerde handeling; gebrek’
Mnl. fauten (mv.) ‘gebreken, onvolkomenheden, schuldigheden’ [1265-70; CG II, Lut.K], faute ‘het in gebreke blijven’ in bi fauten van onsen paiemente ‘bij achterwege blijven van onze betalingen’ [1284; CG I, 772], ook in de vorm fault, in mids faulte van enegher provande ‘met gebrek aan enige proviand’ [1453; MNW]; vnnl. fauten (mv.) ‘laakbare handelingen’ [1567; WNT], foute “faute” [1599; Kil.], suyver sonder fout ‘zuiver, zonder gebrek/afwijking’ [1610; WNT Supp. albast], fout ‘onjuistheid in een werk’ [1613; WNT]; nnl. tgeen seker een fout in my is ‘wat zeker een verkeerde eigenschap van mij is’ [1739; WNT].
Ontleend aan Oudfrans faute ‘zondiging aan religieuze of morele voorschriften, overspel’ [ca. 1174; Rey] (Nieuwfrans ‘fout, vergissing’), ontwikkeld uit vulgair Latijn *fallita, de gesubstantiveerde vrouwelijke vorm van het bn. *fallitus, de geregulariseerde vorm van het onregelmatige klassiek-Latijnse verl.deelw. falsus ‘id.’ van fallere ‘bedriegen, in de steek laten’, zie → faillissement. De spelling faulte kan zijn ontstaan onder invloed van het middeleeuws Latijn, maar is wrsch. ontleend aan de Middelfranse alternatieve spelling faulte.
Net als in het Frans is ook in het Nederlands de betekenis veralgemeniseerd van ‘het niet aan de regels voldoen’ tot ‘onjuistheid’.
De oorspr. spelling met au (nog tot in de 18e eeuw) is verdrongen door die met ou, wrsch. doordat au verder alleen voorkwam in de auslautcombinatie -auw (de vele leenwoorden met au zijn in het algemeen veel jonger).
fout bn. ‘verkeerd’. Vnnl. die Regel ofte Lynie die faut is [1548; WNT linie]. Ontwikkeld uit het zn. in predicaatpositie en pas later ook attributief gebruikt: een foute optelling [1906; WNT]. ♦ foutief bn. ‘verkeerd’. Nnl. in een foutieve lezing [1862; WNT wel V]. Ontleend aan Frans fautif ‘id.’ [1676; Rey], afleiding van faute. Dit woord is synoniem met het bn. fout en is in attributieve positie ouder.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fout [gebrek, misslag] {fau(l)te, foute 1265-1270} < frans faute, ouder faulte [idem] < middeleeuws latijn falta, defalta, defaulta, defaltum [het niet gestand doen van een belofte], van de [van … weg] + fallere [teleurstellen, bedriegen, schenden, niet nakomen] (vgl. asfalt).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

fout znw. v., en bnw. in het mnl. nog maar alleen znw. faute, faulte < fra. faute, faulte < vulg. lat. *fallita, oud verl. deelw. van lat. fallere ‘in de steek laten’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

fout. De functie als bnw. is eerst nnl., ʼt znw. faute (faulte) v. komt mnl. al = “gebrek, gemis, mankement, schuld” voor. Evenals meng. faute (eng. fault) uit ofr. faute, faulte. Dit uit laat- en vulgairlat. fall(i)ta, v. van fall(i)tus “verkeerd”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

fout v., Mnl. faute, uit Fr. faute, v.d. van Lat *faltare, freq. van fallere = falen (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

fout s.nw.
1. Tekortkoming. 2. Onjuistheid. 3. Misstap, vergryp. 4. Iets wat nie in orde of pluis is nie.
Uit Ndl. fout, vroeër ook faute (Mnl. faute, foute).
Ndl. fout uit Fr. faute, ouer faulte uit Middeleeuse Latyn falta, defalta, defaulta, defaltum 'die nie gestand doen van 'n belofte'.
Eng. fault (Middelengels faute).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

zout bn., bw., (ook:) zuur, onaangenaam. Je bent dan te laat. Je hebt je verslapen. Behalve op zaterdag en zondag [dan is het niet erg]. Hoewel het wat de zaterdag betreft wel zout is voor Lygia die wel moet werken (WS 10-4-1982). Over het algemeen vertelt hij van die zoute moppen, maar soms geniet je ook wel van hem hoor (WS 18-9-1982).
—: zout zijn (was, is geweest), (ook:) geen geluk hebben, pech hebben. Kijk brada [S, broeder], als het zo lekker regent en je ligt in je warme bed en komt tot de ontdekking dat het bijvoorbeeld 5 uur ’s ochtends is dan ben je zout want het is bijna tijd om op te staan (WS 10-4-1982). - Etym.: Zie zout*
— : zie zout(e) beschuit(je)*.
—: zoute fout (de, -en), onherstelbare fout. Ik heb enkele dagen terug een zoute fout gemaakt (Dobru 1968b: 42). - Etym.: ’Als je er suiker bij zet*, blijft het toch zout smaken’ (mond.).
— : zie zout lemmetje*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

fout: “afwyking, gebrek, mistasting, oortreding, vergissing”; Ndl. fout (Mnl. fau(l)te, by vRieb faulten), soos Eng. fault, uit Ofr. fau(l)te (Fr. faute) uit Ll. fall(i)ta uit Lat. fall(i)tus, “verkeerd”, hou verb. m. Lat. fallere, “in die steek laat”; v. faal en feil I.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

fout (Frans faute); (dat is mijn --) (vert. van Frans c’est ma faute)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

fout ‘gebrek, misslag’ -> Duits dialect faut, fôt, Faut, ‘gebrek; onjuist’; Russisch fáut ‘de slechtste soort balken’; Negerhollands faut, fout, vout ‘gebrek, misslag, vergissing’; Papiaments fout ‘gebrek, misslag’; Sranantongo fowtu ‘gebrek, misslag, vergissing’; Saramakkaans fóútu ‘gebrek, misslag’ .

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Foutje, bedankt! [reclameslogan] (1991). Verzekeraar Reaal maakt in 1991 reclamespotjes waarin de fraudeur, gespeeld door Rijk de Gooyer (1925-2011), als hij tegen de lamp loopt, uitroept “Foutje, bedankt!” Dit wordt een gevleugelde uitdrukking.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

fout gebrek, misslag 1265-1270 [CG Lut.K] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut