Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fors - (krachtig, stevig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

fors bn. ‘krachtig, stevig’
Vnnl. forts, fortsigh ‘gewelddadig, heftig, moedig, opvliegend’ [1599; Kil.], fors ‘tot geweld geneigd, strijdlustig, onstuimig, woest’ [1642; WNT]; nnl. forsch ‘stevig, krachtig’ [1788; WNT].
Afgeleid van het Middelnederlandse zn. fortse ‘kracht, geweld’: forche ‘versterking op een muur’ [1265-70; CG II, Lut.K], fortse ‘kracht’ [1340-60; MNW-R], fors ‘id.’ [1671; WNT]. Het zn. is via het Picardisch ontleend aan Frans force ‘kracht’ [1080; Rey]. De latere vorm fors is geen Nederlandse klankontwikkeling, maar is ontstaan onder invloed van datzelfde Franse woord in de standaardvorm. Het Franse woord is ontwikkeld uit Laatlatijn fortia, oorspr. de onzijdige meervoudsvorm van het bn. fortis ‘sterk, dapper’, zie → fort.
De oude betekenis ‘gewelddadig’ is in het Nederlands geheel verdwenen, ten gunste van het afgezwakte ‘stevig, krachtig’. De verouderde spelling met -sch is kunstmatig ingevoerd (naar analogie van de vele andere bn. die met -sch van een zn. zijn afgeleid, zie → -s) ter onderscheiding van het zn.; een andere mogelijkheid is invloed van Duits forsch ‘fors, krachtig, energiek’.
Het zn. fors ‘kracht’ is in het NN volledig verouderd; in het BN bezit het geen standaardtalige status, maar is het wel algemeen bekend, o.a. ook in samenstellingen als pietefors ‘kippenkracht’ (< Frans petite fors), forsvoer ‘krachtvoer’, forsbollen ‘spierballen, biceps’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fors [stevig] {forts(igh) 1599} < frans force [(bijw.) veel, sterk], hetzelfde als het zn. force [kracht], dat reeds middelnl. ontleend werd als fortse, forche < vulgair latijn ∗fortia, het zelfstandig gebruikt o. mv. van fortis [krachtig, moedig], dat als vr. enk. werd opgevat (vgl. force).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

fors bnw., sedert Kiliaen: forts, fortsich ‘violentus Et Fris. audax, acer, trux’. Evenals mnd. fors ‘fors, sterk’ (> nhd. forsch) < fra. force ‘kracht’. Daaruit was reeds mnl. fortse ‘kracht, geweld’ ontleend.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

forsch bnw., sedert Kil.: “fortsigh, forts. violentus. Et Fris. audax, acer, trux”. Evenals mnd. fors “forsch, sterk, vermetel, brutaal” (nhd. forsch in de 19. eeuw uit het Ndd.) uit fr. force znw. “kracht”, waaruit reeds mnl. fortse v. “kracht, geweld”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

forsch bijv., is het tot bijv.nw. gemaakte Mnl. zelfst.nw. fortse, uit Fr. force, van Mlat. fortiam (-ia), een afleid. van klass. Lat. fortis (z. dorren).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

fors: b.nw. en bw., “kragtig, sterk”; Ndl. fors(ch) (Mnl. fortse, “geweld, krag”, by Kil forts, fortsigh, “geweldig”) via Fr. force uit Lat. fortia, ons. mv. v. fortis, “sterk”.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

fors stevig 1599 [Kil.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut