Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

formaat - (grootte, vorm)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

formaat zn. ‘grootte, vorm’
Vnnl. formaet ‘afmetingen van boeken en papier’ [1573; Thes.], formaat ‘grootte, vorm; afmetingen van papier, boeken enz.’ [1655; WNT].
Ontleend aan Duits Format, oorspr. alleen ‘afmetingen van boeken en papier’ [16e eeuw; Pfeifer], een neologisme op basis van het gesubstantiveerde onzijdige verl.deelw. fōrmātum ‘dat wat gevormd is’ van Latijn fōrmāre ‘vormen’, zie → formeren.
Oorspr. is Format een term uit het drukkersjargon in de 16e eeuw; pas later, zowel in het Duits als het Nederlands, ook in de algemenere betekenis ‘vorm, grootte’. Ontlening (EDale) aan het Latijn via Frans format [1723; Rey] en Italiaans formato [1819; DEDLI], beide oorspr. ook termen uit de boekdrukkunst, is gezien de datering niet waarschijnlijk.
Een mooi staaltje van pseudo-etymologie is te vinden in 1599 bij Kiliaan, die Joannes Goropius Becanus napraat. Volgens deze laatste is formaet een verbastering van veur-maet, wat ‘de eerste of voorste maat (lengte, omvang)’ betekent.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

formaat [grootte] {formaet 1580} < frans format < italiaans formato, eig. verl. deelw. van formare [maken, vormen] < latijn formare [een vorm aan iets geven, ordenen, inrichten, vervaardigen], van forma [vorm].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

formaat znw. o., sedert Kiliaen < lat. formātum, verl. deelw. van formāre ‘vormen’. — In Duitsland treedt het voor het eerst in 1558 op en wordt sedert 1634 een term der boekdrukkunst.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

formaat znw. o., sedert Kil. Evenals hd. format o. (sedert 1558) uit lat. formâtum, o. verl. deelw. van formâre “vormen”, als znw. gebruikt.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

formaat ‘grootte’ (Frans format); (van --) (vert. van Duits von Format)

S. Theissen (1978), Germanismen in het Nederlands, Hasselt

formaat (van –)

In de jaren ’40 en ’50 werd het gebruik van formaat in ‘een kunstenaar van formaat’ door enkele puristen als een germanisme (D. ‘...von Format’) beschouwd.

In de woordenboeken vindt men deze uitdrukking pas vanaf de jaren ’50 maar ze wordt er wel van meet af aan als correct Nederlands aanvaard. Slechts Verschueren en Jansonius hebben ze niet opgenomen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

formaat ‘grootte’ -> Indonesisch format ‘grootte’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

formaat grootte 1573 [Plantijn] <Frans

formaat structuur van een computerdocument 1986 [MCC dec. 86, 8, 12, 33] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal