Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

forfait - (van tevoren vastgesteld bedrag; afwezigheid op een afspraak (in de sport))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

forfait zn. ‘van tevoren vastgesteld bedrag’; (BN) ‘afwezigheid op een afspraak (in de sport)’
Mnl. forfait ‘misdaad’ in den man die forfait heuet gedaen ‘de man die een misdaad heeft begaan’ [1237; CG I, 30], ‘geldstraf voor een misdaad’ in forfait ... moet hi gelden binnen derden daghe ‘de boete moet hij betalen binnen drie dagen’ [1237; CG I, 32-33], beide betekenissen al in het vnnl. verouderd. Nnl. eerst en vooral in de combinatie à forfait ‘tegen een van tevoren vastgestelde prijs, dus niet per stuk (bij waren) of per tijdseenheid (bij geleverde diensten)’ [1847; Kramers]. Daarnaast als belastingtechnische term forfait ‘regeling waarbij voor het gemak gebruik wordt gemaakt van één vast percentage of bedrag’ [1973; WNT Aanv.]. BN (in de sporttaal) zijn de betekenis ‘afwezigheid bij een vastgestelde ontmoeting’ in de uitdrukkingen forfait geven of verklaren ‘verstek laten gaan’ [1976; van Dale], forfaitcijfers, forfaitscore ‘fictieve score (bij voetbal 5-0) die bij forfait wordt genoteerd’, en de betekenis ‘geldboete wegens verstek laten gaan (in de draf- en rensport)’, voor (zeker paard) is forfeit gedeclareerd [1889; weekblad Het Sportblad 1, 1, 3].
Zowel in de Middelnederlandse als in de huidige algemeen Nederlandse betekenis ontleend aan Frans forfait. In de betekenis ‘misdrijf’ is het Franse woord een afleiding van forfaire ‘een misdrijf begaan’ [eind 10e eeuw; Rey], dat is gevormd uit Oudfrans fors ‘buiten’ (uit Latijn forīs ‘id.’, zie → forens) en faire ‘doen, handelen’ (uit Latijn facere ‘id.’, zie → feit).
De betekenis ‘afgesproken geldbedrag’ hoort bij een ander woord, nog geattesteerd als Middelfrans fayfort [1580; Rey] (uit fait, zn. bij faire, en for ‘belastingaanslag’ < ‘marktprijs’ < forum ‘markt’), dat echter algauw [1639; Rey] door volksetymologie vereenzelvigd werd met het oudere forfait, dat metonymisch ook ‘geldstraf, opgelegd vanwege een misdrijf’ kon betekenen.
De jongste, uitsluitend BN betekenis uit de sporttaal is ontleend aan de Franse uitdrukking déclarer forfait, oorspr. uit de wielersport ‘een wielerkoers afbreken’ [1892; Rey], waarin forfait zijn betekenis heeft ontleend aan Engels forfeit, dat op hetzelfde Oudfranse woord teruggaat.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

forfait [vast bedrag] {1901-1925, vgl. for(e)feit, for(e)fait [geldboete, misdaad] 1237} < frans forfait, verl. deelw. als zn. van forfaire (middeleeuws latijn fori(s)facere, forefacere, forfetare [onrecht begaan, het zich op de hals halen van straf]), van fors < latijn foris [buiten, hier in de zin van buiten de wet] (vgl. foreest) + faire < latijn facere [maken, doen].

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

forfait vast bedrag 1847 [Aanv WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut