Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

forceren - (met geweld verbreken of openbreken; op onnatuurlijke wijze tot stand brengen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

forceren ww. ‘met geweld verbreken of openbreken; op onnatuurlijke wijze tot stand brengen’
Mnl. Die romeine die begonden ... met ramme frochieren die mure ‘de Romeinen begonnen met rammen de muren kapot te beuken’ [1285; CG II, Rijmb.], haer scilde frotseerden doe ‘hun schilden spleten toen, braken in stukken’ [1300-50; MNW-R], ghefrosseert ‘gebroken’ [1324; Stall. I, 431], spliten ende frotsieren ‘splijten en in stukken doen breken’ [1350; MNW-R], gequetst ende gefrotsiert ‘gewond en gekneusd’ [14e eeuw; MNW frotseren], gheforsiert ‘gekneusd, verbrijzeld’ [14e eeuw; MNW fortsieren], fortsieren ‘slijten, breken’ [1465-85; MNW-R]; vnnl. fortseeren ende bedwinghen ‘(iemand tot bepaald gedrag) forceren en dwingen’ [1580; WNT pretendeeren], forceren ‘bemachtigen, overweldigen’ [1650; Hofman], het opbreeken en forceeren des ... Gevanckenisse ‘het openbreken en met geweld openmaken van de gevangenis’ [1678; WNT], was fortserende den suyvelblok ‘was bezig het vasten-offerblok open te breken’ [1678; WNT zuivel]; nnl. geforceerd ‘onnatuurlijk, niet van harte’ [1787; WNT].
Ontleend aan Frans forcer ‘met geweld openbreken’ [ca. 1200; Rey], eerder al in de betekenis ‘geweld aandoen’ [11e eeuw; Rey] en ontwikkeld uit vulgair Latijn fortiare, afgeleid van Laatlatijn fortia ‘geweld’, een afleiding van het bn. fortis ‘sterk, dapper’, zie → fort.
De Middelnederlandse vormen fortsieren, fortseren ‘stuk slaan, verbrijzelen; kapotgaan’, met metathese frotsieren, frotseren, frosseren, zijn aan hetzelfde Franse woord ontleend, maar dan via het Picardisch. De vorm fortseren heeft nog tot in de 17e eeuw bestaan.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

forceren [door geweld openen] {ghefortseert 1556} < frans forcer [idem] < vulgair latijn ∗fortiare [dwingen], van latijn fortis [sterk, krachtig].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

forceren ww., eerst bij Kiliaen fortseren, waarnaast ook verfortsen, reeds mnl. verfortsen ‘geweld aandoen’, afgeleid van mnl. fortse, waarvoor zie: fors.

Mnl. fortsieren ‘verbrijzelen, stukbreken’ laat zich zonder moeite uit de algemene betekenis ‘geweld aandoen’ verklaren; men neemt echter de mogelijkheid aan, dat het een bijvorm van frotsieren zou zijn < ofra. froissier < vulg. lat. *frustiāre ‘in stukken breken’, afgeleid van frustum ‘brokstuk’.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† force[e]ren ww., sedert Kil.: fortséren (naast ver-fortsen = mnl. ver-fortsen ‘geweld aandoen’, vgl. het bij fors vermelde znw. mnl. fortse v. ‘kracht, geweld’) ‘vim inferre, vim adhibere, vim facere, vi agere, vi cogere’. Mnl. fortsieren ‘verbrijzelen, stuk breken’ wordt wsch. terecht opgevat als een bijvorm van frotsêren, frotsieren ‘id.’ < ofr. froisser, hetzelfde ww., dat laat-nnl. opnieuw als froisse[e]ren is ontleend.
De dial. zeer verbreide vorm fokseren, fakseren ‘forceren’ wijst op vermenging met vexe[e]ren < ofr. vexer, dat reeds in de Voc. Cop. wordt vermeld.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

force’ren (forceerde, heeft geforceerd), vermoeien, i.h.b. geestelijk vermoeien als gevolg van doorzeuren e.d. - Etym.: AN f. = o.m. nopen te werken boven zijn kracht.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

forceren (Frans forcer)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

forceren ‘met geweld openen’ -> Indonesisch (mem)forsir, porsir ‘met geweld openen; zijn stem geweld aandoen’; Kupang-Maleis forsir ‘dwingen’; Menadonees forsèr ‘dwingen’; Negerhollands forceer, forscheer ‘met geweld openen, inspannen’; Sranantongo forser ‘dwingen, met dwang iets voor elkaar proberen te krijgen’; Surinaams-Javaans forsir ‘vermoeiend, zwaar’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

forceren met geweld openen 1556 [Claes] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut