Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

foppen - (beetnemen, op onschuldige wijze bedriegen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

foppen ww. ‘beetnemen, op onschuldige wijze bedriegen’
Vnnl. voppen ‘liegen’ [1563; Moormann], soo verbrangst een Wijf te foppen ‘zo vreselijk een vrouw te bedriegen’ [1639; WNT stoppen], soeckt ghy my noch te foppen andermael? ‘probeert u mij nogmaals te bedriegen?’ [1663; WNT].
Ontleend aan Duits foppen ‘beetnemen’ [1548; Kluge21], ‘bedriegen, liegen’ [1494; Kluge21], nog eerder geattesteerd in de afleiding vopperin [1343; Kluge21] in het Opperduits.
Over de verdere herkomst en de samenhang met andere woorden bestaat geen zekerheid. Mogelijk zijn verwant: me. fobbe ‘bedrieger’ [1393; OED] (ne. fob ‘list’, ww. fob of ‘bedriegen’); me. foppe ‘nar, dwaas’ [ca. 1440; OED] (ne. fop ‘ijdeltuit’). Ook worden wel genoemd mnl. fobaert ‘nar, dwaas’ [ca. 1400; MNW] en foberdie ‘zotternij; scherts’ [1400-20; MNW-R], maar die zijn wrsch. ontleend aan het Oudfranse zn. fobert ‘zot, gek, dwaas, simpele’. Aangenomen wordt dat foppen etymologisch gelijkgesteld moet worden met mnl. focken ‘foppen, voor de gek houden’, zie → fokken. Dit concept is uitgewerkt door Stoett (1917) en wordt gesteund door betekenisovereenkomsten als bijv. Zuid-Nederlands (dialectisch) fokken, foppen, beide ‘een knikker met een schok vooruitschieten’ en ‘bedriegen’. De huidige en andere betekenissen (ook die van fokken) zouden alle zijn voortgekomen uit oorspr. ‘stoten’.
Lit.: F.A. Stoett (1917), ‘Fokken, foppen’, in: TNTL 36, 61-66

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

foppen* [voor de gek houden] {1639} hoogduits foppen [bedriegen, ook: stoten], engels to fob [idem]; waarschijnlijk was de oorspr. betekenis ‘stoten, duwen’, vgl. fokken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

foppen ww., sedert de 17de eeuw < nhd. foppen, waar het voor het eerst in 1343 (Augsburg) voorkomt in het woord fopperin ‘die zich als gek voordoet en voorspellingen doet’, daarna algemeen in de betekenis van ‘liegen’. Daarnaast ‘stoten (van windvlagen)’, waaruit men niet zonder meer afleiden mag, dat het woord eigenlijk ‘stoten, duwen’ zou hebben betekend, daar men ook kan denken aan een overdrachtelijk gebruik: het verrassende van plotselinge windvlagen kan met een fopperij vergeleken zijn. In elk geval staat het woord in onmiddellijk contact met fokken (F. A. Stoett Ts. 36, 1917, 61-66), wat reeds blijkt uit zuidnl. fokken en foppen ‘de knikker met een schok vooruitschieten’ (waarin dus ook een verrassing schuilt). Het is mogelijk, dat het woord uit het bargoens komt, te meer omdat in het Zuidduits, waar het oorspronkelijk schijnt te zijn, de klankverbinding pp niet thuishoort.

Intussen kan daarnaast hebben gestaan een vorm met -b- blijkens mnl. fobaert ‘nar, dwaas’ en fobaerdie ‘zotternij; scherts’. Uit een ouder-nnl. of vla. fobbe leidt men ne. fob ‘bedrieger’ (sedert 1393) af, vgl. Bense 104.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

foppen ww., nog niet bij Kil. Uit hd. foppen “foppen”, oorspr. een woord uit de platte volkstaal en dieventaal. Reeds 1343 komt fopperin v. voor = “bedelares, die zich als een krankzinnige aanstelt”. Vgl. mnl. mnd. focken “voor den gek houden”, opperpalzisch focken “plagen”, en met i: thur. fippern “voortdurend plagen”. [Met andere bet. Leipzigsch es fippert, fuppert (“flikkert, dwarrelt”) mir vor den augen.] Hd. foppen oorspr. “zich als een krankzinnige aanstellen”, later “liegen, bedrog plegen, bedriegen” schijnt het vroegst in zwits. en aangrenzende diall. voor te komen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

foppen, sedert de 17e eeuw in de bet. ‘gekheid maken’. Wellicht moet men als grondbet. aannemen ‘stoten, duwen’. Vgl. zuidndl. foppen naast fokken ‘de knikker met een schok vooruitschieten’, hd. foppen (1707) ‘stoten (van windvlagen)’. Hieruit zijn de velerlei bett. te verklaren, die parallel lopen aan die van fokken (zie ald. Suppl. en Stoett Tschr. 36, 64 vlgg.). Eng. fop ‘fat’, vroeger ook ‘dwaas’ (sedert 1440!), en het thans verouderde ww. to fop ‘zich dwaas aanstellen, foppen’ zullen wel van het continent afkomstig zijn, maar de bijzonderheden zijn uit de gegevens niet af te leiden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

foppen o.w., + Hgd. foppen, Eng. fop; daarnevens Ndl. fokken (z.d.w.) en dial. Hgd. focken: oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

foepen, ww.: knikkeren; wippend lopen. Freq. foepelen, foeperen ‘op-en-neergaan’. Var. van foppen (zie fokken 2) ‘stoten’.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

fluppen (P), ww.: foppen, beetnemen, bedriegen. Var. van foppen met expressieve fl.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

foppen (Duits foppen)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

foppen ‘voor de gek houden’ -> Fries foppe ‘voor de gek houden’; Petjoh fop, foppentjes ‘voor de lol, voor de aardigheid, niet om geld spelen’; Papiaments † fop ‘voor de gek houden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

foppen voor de gek houden 1639 [WNT stoppen] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal