Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

-foon - (achtervoegsel voor geluid overbrengend instrument)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

-foon [achtervoegsel van zn. met de betekenis ‘instrument dat een geluid overbrengt of helpt overbrengen’] {in bv. otofoon 1886} < grieks phōnè [geluid, stem], verwant met phèmi [ik spreek] en met latijn fari [spreken] (vgl. faam). Doordat -foon voorkwam in woorden als grammofoon, stereofoon werd het abusievelijk opgevat als ‘versterkt geluid, versterker’, vgl. otofoon [hoorntje voor doven] → -fonie.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

-foon (Grieks -phōnos)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut