Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fooi - (drinkgeld)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

fooi zn. ‘drinkgeld’
Mnl. voy ‘weg, pad’, in in valscher voye ‘op een gevaarlijke weg’ [14e eeuw; MNW], ‘weg, gang, tocht’ die voeren mede den selven voy ‘zij gingen ook mee op zelfde weg, tocht’ [1470-90; MNW-R], foy ‘afscheidsmaaltijd’ [1475; MNW]; vnnl. foye, voye ‘afscheidsdronk, afscheidsmaaltijd’ [1599; Kil.], foij ‘afscheidsgeschenk’ [1605; WNT], ‘gift voor bewezen diensten’ [1651; WNT]; nnl. ‘id. aan ondergeschikten’ [1708; WNT].
Het Middelnederlandse woord is ontleend aan Frans voie ‘weg, reis’ [ca. 1175; Rey], ouder veie [11e eeuw; Rey], ontwikkeld uit Latijn via ‘id.’, zie → via.
In het Nederlands onderging dit woord daarna een geheel eigen betekenisontwikkeling: van ‘reis’ via ‘afscheidsmaal (voorafgaand aan een reis)’ en ‘geschenk dat bij een afscheid wordt gegeven’ naar ‘geschenk voor bewezen diensten’. In het West-Vlaams bestond volgens De Bo in de 19e eeuw nog een betekenis fooie ‘feest’, die ook blijkt uit Brabants foye ‘id.’ [1735; Stall. I, 425-6], en die zich mogelijk ook ontwikkeld heeft uit ‘afscheidsmaal’.
Uit de betekenis ‘weg, gang’ van mnl. voie heeft zich behalve de hier behandelde betekenis nog een tweede specifieke betekenis afgesplitst, namelijk die van ‘omgang, omloop, i.h.b. om een toren of het dak van een gebouw’, nog in de 17e eeuw, maar nu alleen nog plaatselijk in enkele kustdialecten.
Weer een andere betekenisvernauwing is te vinden in het Fries, dat een afgeleid werkwoord foaie ‘een feestmaal houden na gedane veldarbeid’ en foai(ers)dei ‘de dag waarop dat gedaan wordt’ heeft, naast foan(tsje) ‘fooi’, waarvan de n wellicht zijn oorsprong heeft in een meervoudsvorm.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fooi [drinkgeld] {foye, voy(e) [reis, weg, afscheidsmaaltijd] 1357; vervolgens ‘afscheidsgeschenk’ 1605} < frans voie [weg, reis] < latijn via [idem].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

fooi znw. v. ‘drinkgeld’, mnl. fooye, foye, voye ‘reis; afscheidsmaal’ < fra. voie < lat. via. — > nnd. dial. foie. — Uit de betekenis ‘geschenk bij het afscheidsmaal gegeven’ ontwikkelde zich de tegenwoordige. — Voor de weergave van v door f zie ook fielt en fraai.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

fooi znw. De tegenwoordige bet. is eerst nnl. ontstaan uit “afscheidsgeschenk, geschenk bij ʼt afscheidsmaal”. De bet. “afscheidsmaal” had reeds mnl. fō̆y, vō̆y, m.,fō̆ye, vō̆ye v. (fooie “feestje” is nog zuidndl.), dat ook de nog oudere bet. “reis, weg” bezat. Uit fr. voie (< lat. via) “weg, reis”. Voor f < v vgl. fielt, fraai. Uit ʼt Ndl. ndd. dial. fōie.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

fooi v., Mnl. fooie, gelijk Eng. foy, uit Fr. voie, van Lat. viam (-a) = weg (z.d.w.); de bet. zijn: 1. tocht, 2. afscheidsmaal (caena viatica), 3. feestmaal, 4. geschenk. Nu nog bet. fooi in de Vla. dial. alleen het maal dat aan de werklieden gegeven wordt, wanneer het huis onder dak is, d.i. wanneer de metsers het werk verlaten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

fooi s.nw.
1. (meestal in die verkleinw. fooitjie) Geskenkie in geld aan 'n werker of ondergeskikte vir bewese dienste of gedane moeite, gebruiklik in die restaurant- en hotelbedryf. 2. Sekere professionele geld deur bv. 'n argitek of ingenieur gevra, of enige bedrag vir dienste gelewer.
Uit Ndl. fooi (Mnl. o.a. fooye, foye, foy, voye, voy). Vroeër in Afr. as anglisisme beskou, maar tans alg. gebruiklik.
Ndl. fooi uit Mnl. fooye, foye, foy, voye, voy
'weg, reis, afskeidsmaal voor die aanvang van 'n reis', vervolgens 'geskenkie deur 'n vertrekkende gas aan 'n diensbode' (1605) en 'geskenk vir bewese dienste' (1651) uit Fr. voie 'weg, reis'.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. in die vorme foutje en fooitje (1913).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

fooi: s.nw. en ww. (WAT noem net s.nw.), “afskeidsgeskenk v. bewese kleiner dienste” (beantw. aan Eng. bet. v. “tip”); Ndl. fooi (Mnl. foy(e)/voy(e), by vRieb foy) uit Fr. voie uit Lat. via, “pad, weg” (d.w.s. iets vir die pad); in Afr. dikw. ’n Angme. in bet. v. Eng. fee, wat wsk. verb. hou m. Fr. fé/fief/fiu uit Lat. feodum/feudum, “eiendom”, en mntl. m. Ndl. vee, Hd. vieh en Lat. pecus en pecunia, “vee; eiendom, geld”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

fooi (van Frans voie)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Fooi, drinkgeld, mnl. fooi, fooie, eng. foy. Eigenlijk is het afscheidsmaal, afscheidsdronk, en dan het geld om dat te vervangen: Kil. geeft: “Voye, foye, letste. Vinum profectitium, symposion viae causa. Gal. voye, iter signicat”, d.i. wijn bij ’t vertrek, of maaltijd om het afreizen; in ’t fra. beteekent voye weg. En dit is inderdaad wel de beteekenis, hoewel Franck aan foi = lat. fides dacht, en voor den overgang van bet. wees op mlat. fides, fidantia = opbrengst, schatting. Nu, fooien zijn wel eens een schatting, maar de verklaring uit voie is waarschijnlijker, en men leest bij v. Alkemade over de Displegtigheden (1, 289) reeds die verklaring. Ook Vercoullie neemt dit aan, en v. Wijk eveneens; deze wijst ook op de bet. feestje, die in Zuid-Ned. het woord fooie nog heeft. Voor de verscherping van v tot f, zie op Feil en Fielt.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Fooi, uit ’t Fr. voie, Lat. via = weg, het afscheidsmaal vóór men op reis ging; later het drinkgeld.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

fooi ‘drinkgeld’ -> Fries foai ‘drinkgeld’; Engels foy ‘afscheidsfeestje of geschenk voor reizigers’; Schots foy ‘afscheidsfeestje; feestje om een bruiloft of speciale gelegenheid te vieren’; Duits dialect Fôtje, Fooi, Foie ‘(Oost-Friesland, Westmünsterland) drinkgeld; (Emsland) klein geschenk dat door het nieuwe of vertrekkend personeel aan een wasvrouw van een huis gegeven wordt’;? Indonesisch foya-foya ‘escapades; met geld smijten’; Papiaments † fooi ‘drinkgeld’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

fooi drinkgeld 1651 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut