Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fonkelen - (levendig stralen of glanzen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

fonkelen ww. ‘levendig stralen of glanzen’
Mnl. voncklende sternen ‘fonkelende sterren’ [1477; Teuth.]. Daarna pas weer vanaf de tweede helft van de 18e eeuw: vonken, vonkelen ‘vonken afwerpen’ [1759; WNT]; overdrachtelijk in ik zag uw oogen vonklen [1788; WNT]. In de 19e eeuw breekt de vorm fonkelen door [1805; WL].
Gezien genoemde oudste vindplaatsen, de eerste in een Hoogduits gekleurd werk, het tweede in een Nederlands-Duits woordenboek, wrsch. (met aanpassing aan de klinker in nl. vonk) ontleend aan het Duits (mnd. en mhd. vunkeln, nhd. funkeln, betekenis als in het Nederlands), iteratiefvormingen bij vunken ‘vonken geven’, bij het zn. vunke ‘vonk’. Anders zelfstandig in het Nederlands op dezelfde manier gevormd bij mnl. vuncken ‘schitteren’ [1477; Teuth.] bij het zn. vonke, zie verder onder → vonk. Afleiding van mnl. vonkel ‘vonk’ is minder wrsch., aangezien dat woord in de 17e eeuw al verouderd was.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fonkelen* [levendig glanzen] {vonckelen 1477, fonkelen 1812} hetzij een iteratief van vonken, hetzij afgeleid van vonkel [vonk], van vonke, vonc, vunke, vunc [vonk].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

vonkelen ww., mnl. vonkelen, fonkelen, mnd., laat-mhd. vunkelen (nhd. funkeln) kan een iteratief zijn van vonken, mnl. vonken, mnd. mhd. vunken (nhd. funken) ‘vonken, fonkelen’ of kan ook afgeleid zijn van mnl. vonkel, mnd. vunkel ‘vonk’. — Zie ook fonkelen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

vonkelen ww., ook fonkelen, mnl. vonkelen, fonkelen. = laat-mhd. mnd. vunkelen (nhd. funkeln). Een afl. ’t zij van ’t ww. mnl. vonken (nnl. vonken), mhd. mnd. vunken (nhd. funken) “vonken, fonkelen” ’t zij van ’t znw. mnl. vonkel, mhd. vunkel m. “vonk”.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

fonkelen levendig glanzen 1812 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut