Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fokken - (kweken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

fokken ww. ‘voorttelen (van dieren)’
Onl. in de samenstelling foci-chalti ‘fokzeug’ [8e eeuw; LS]; mnl. in de afleiding (nomen agentis als toenaam) Jhan die fockre [1270; CG I, 188]; mnl. feucken ‘verkwikken, laven’ [1477; Teuth.], focken ‘foppen, voor de gek houden’ [1479; MNW-P]; vnnl. focken ‘duwen, stoten’ [1591; WNT], ‘trekken, pakken’ [ca. 1600; WNT], focken ‘pasklaar maken, betamen’ [1599; Kil.]. ‘seksuele omgang hebben met’ in Hoer Mary,... die hy ... eens lustich fockte [1657; WNT]. Hooft en Vondel gebruiken focken/vocken ‘jongen verwekken (door vee)’ [1637 resp. 1646; WNT] (intransitief of met het jong als object) naast transitief aanfokken/aenvocken ‘fokken, voorttelen (door mensen)’ [1642 resp. 1646; WNT]. Laatstgenoemd woord blijft tot in de 19e eeuw in gebruik, in de 17e en 18e eeuw naast het synonieme voortfokken, opfokken. Fokken in de huidige transitieve betekenis verschijnt aan het eind van de 17e eeuw: fokken wordt vertaald met Engels to breed, (cattle) [1691; Sewel NE]; nnl. [er wordt] nog een ander zoort van Schapen gefokt [1763; WNT zand].
Herkomst onzeker. Uit de weinige Middelnederlandse vindplaatsen van dit woord is een betekenisontwikkeling niet eenduidig vast te leggen. Het is überhaupt niet zeker of bovengenoemde Oud- en Middelnederlandse woorden wel van dezelfde stam zijn als de woorden van na 1600 (vergelijk bovendien nog mnl. focken ‘zeilen’, zie → fok). Gezien de betekenissen ‘stoten’ en ‘seksuele omgang hebben’ lijkt verband met Engels fuck en Duits ficken mogelijk. In dat geval zal het woord mogelijk oud zijn en vanwege zijn betekenis niet zo vaak opgetekend zijn. De vroegste vindplaatsen van het Engelse woord komen alle uit Schotland, wat een Scandinavische oorsprong suggereert (vergelijk Noors dial. fukka ‘neuken’ en Zweeds dial. focka ‘id.’).
Men kan dan uitgaan van pgm. *fug- als men de -kk- als teken van intensivering ziet (vergelijk bukken naast buigen). Hierbij behoort dan misschien ook Duits vögeln met dezelfde obscene betekenis (terwijl Nederlands → vogelen 2 ‘neuken’ wrsch. is afgeleid van vogel in de betekenis ‘mannelijk lid’). Verwantschap met de wortel pie. *peug- (IEW 828) ‘steken’ (zie → punt) is echter weinig wrsch.
Het verband met het bovengenoemde werkwoord focken ‘foppen, voor de gek houden’ is onduidelijk, maar men zou kunnen denken aan naaien en (ver)neuken, beide met zowel een seksuele als een ‘bedrieg’-betekenis. Ook wordt wel verondersteld dat fokken en foppen dezelfde oorsprong hebben, zie → foppen.
Lit.: F.A. Stoett (1917), ‘Fokken, foppen’, in: TNTL 36, 61-68; A. Quak et al. (1983), ‘Zu den salfränkischen Tierbezeichnungen’, in: ABäG 19, 7-66

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fokken* [aankweken, doen voorttelen] {in de persoonsnaam Jhan de Fockere 1270, focken, vocken [een loopje nemen met, bespotten] 1451-1500} staat naast foppen [idem]; de grondbetekenis zal zijn geweest ‘stoten’, waaruit die van ‘beslapen’ en ‘bedriegen’ zich, evenals bij (ver)neuken, hebben ontwikkeld; uit ‘beslapen’ komen dan weer de betekenissen ‘aankweken, doen voorttelen’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

fokken ww., eerst nnl. (maar mnl. focken ‘een loopje nemen’ kan deze betekenis reeds voor de middeleeuwen doen vooronderstellen), oostfri. fokken, fri. fokje, fokke. Kiliaen kent focken in de bet. ‘zeilen hijsen (reeds 1551 vermeld, zie R. van der Meulen Ts 73, 1955, 97), ‘vluchten, pasklaar maken, betamen, stoten, stilletjes verzamelen’; deze rijke betekenis-ontwikkeling wijst er op, dat het woord reeds lang geleefd moet hebben. Misschien mag men dan verband leggen met on. fjūka ‘voortdrijven, stuiven’, nnoorw. zw. fjuka, nde. fyge, dat men verbindt met gr. pugḗ ‘achterste’, lett. pūga ‘windstoot’ (IEW 847).

Men zal in dit geval moeten uitgaan van een bet. ‘stoten, duwen’. Daaruit kan men de betekenissen van ‘beslapen’ en van ‘voor de gek houden’ dan afleiden (vgl. Stoett, Ts 36 1917, 61-66), die ook wijst op het analoge woord foppen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

fokken ww., eerst nnl. Ook fri. fokje, fokke, oostfri. fokken “fokken”. Er is een gissing, dat de ospr. bet. is “(de fok) hijschen, bijzetten”, en dat fokken dus van fok komt: niet onmogelijk, hoewel zeer onzeker. Mnl. focken, mnd. vocken = “voor den gek houden” (zie foppen). Kil. kent focken = “zeilen hijschen, vluchten, pasklaar maken, betamen, stooten, stilletjes verzamelen”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

fokken. Mnl. focken ‘voor de gek houden’ kan hetzelfde woord zijn. Uit een grondbet. ‘stoten, duwen’ zijn de verschillende bett. als ‘futuere’, ‘vluchten’, ‘voor de gek houden’ te verklaren: Stoett Tschr. 36, 61 vlgg. Vgl. neuken, verneuken Suppl. en foppen Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

fokken 1 o.w. (kweeken), bijvorm van foppen; alleen Ndl. en Fri. De bet. zijn: 1. stooten. 2. bedriegen, voor den gek houden, 3. beslapen, 4. telen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1fok ww. (vulgêr)
1. Geslagsgemeenskap hê met. 2. Probleme of moeilikheid skep.
In bet. 1 uit Ndl. fokken (al Mnl.), oorspr. 'stoot, du'. In bet. 2 uit Eng. fuck (1929), wat voorkom in frases soos fuck up, fuck about, ens.
D. ficken (16de eeu).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

fokken (fokte, heeft gefokt), (jongerentaal) vervelend doen, zeuren. ‘Wat schop je die kinderen!’ Jana was daar gekomen van het baden* achterop. Ze was aan ‘t wraken*, omdat hij z’n voet nam en ze djoekte*. ‘Ik schop ze niet! Is wakker maak ik ze! Wat fok je meisje*’ (Cairo 1980c: 58). - Etym.: Zie fokop*, opfokken*. AN fokken = SN kweken.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

fokken* aankweken, doen voorttelen 1704 [Claes]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

fokken, informeel en voornamelijk jeugdtaal voor ‘opjutten; irriteren; op de zenuwen werken’.

We zijn punk, man! We doen alles om te shockeren en ouderen te fokken. (Nieuwe Revu, 06/05/98)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut