Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fok - (bril)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

fok zn. ‘onderste zeil voor de mast of aan de voorste mast’
Mnl. focke ‘klein zeil’ [1438; MNHWS]; vnnl. focke, fock-seyl ‘klein zeil aan de voorsteven’ [1599; Kil.]. Daarnaast bestond een werkwoord focken: In gevalle dat een Schip van binnen ofte buyten s Landts komende, seylende ofte fockende,... [1551; van der Meulen 1955a, 97], focken ‘zeilen; zeilen bijzetten’ [1599; Kil.].
Herkomst onduidelijk. Wrsch. in verband te brengen met het werkwoord mnl. vocken ‘waaien’ [1477; Teuth.], zoals ook in wyntvoicker ‘waaier (Latijn flābellum)’ [1477; Teuth.] (hierbij ook wyntvock “eyn schuep dair men dat koern myt in den wynt worpt umb dat to reynighen (Latijn ventilābrum)” (‘een schep waarmee men het koren in de wind werpt om het te reinigen, ofwel een wan’) [1477; Teuth.]). Ook van vocken is de verdere etymologie onbekend.
Met dezelfde betekenis: mnd. vocke ‘fokzeil’ (waaruit nhd. Fock) en nfri. fok; daarnaast nfri. fok ook ‘driehoekig stuk land’ en nno. fokka ‘id.’, maar deze laatste betekenis is wrsch. afgeleid. Wrsch. is er geen verband met Oudnoords fjúka ‘snel door de lucht gaan, stuiven, opjagen’ (Noors fyke).
De verouderende betekenissen ‘grote neus’ [1686; WNT] en ‘bril’ [1691; Sewel NE] zijn metaforisch ontstaan uit de gangbare vorm (driehoekig en aan de voorkant ver uitstekend) van het fokzeil; hierbij ook nfri. fok ‘bril (ironisch)’ en fokje ‘een bril dragen’ (naast ‘de fok hijsen’).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fok2* [bril] {1829} hetzelfde woord als fok1; de betekenis voorzeil ging over in die van bril met die van de, onder de fok gelegen, scheg in die van neus.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

fok

De vraag waar het woord fok in de betekenis bril vandaan komt, kan als volgt worden beantwoord. Eigenlijk is de fok het zeil dat voor de mast of aan de voorste mast van een schip wordt gevoerd. Het is dus een hulpzeil. De fok opzetten betekent dus in letterlijke zin: een zeiltje bijzetten en vandaar meer algemeen: een hulpmiddel te baat nemen. Daar men nu ook de bril opzet, d.w.z. op de neus zet en zich zodoende van een hulpmiddel bedient om beter te kunnen zien, is men de fok opzetten gaan bezigen voor: de bril opzetten. Uit deze uitdrukking is het woord fok geïsoleerd voor bril. Zelfs is een nieuw werkwoord fokken gevormd voor: een bril dragen. Men zegt bijv.: Hé, fok jij ook al?

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

fok 2 znw. v. ‘bril’, voor het eerst ± 1750 in de afl. fockist voor de Haarlemse volksdichter Jan de Boer bekend. Misschien schertsende overdracht van fok 1 in een uitdrukking als ‘de fok opzetten’. Of is er verband met lat. focus ‘brandpunt’?

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

fok 2 v. (bril), overdracht van fok 1, als zeil aan de voorste mast, naar de fok opzetten.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

fok* bril 1829 [H. Martin, Beredeneerd Nederduitsch Wrdb.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut