Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

foetus - (ongeboren vrucht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

foetus zn. ‘ongeboren vrucht’
Nnl. in Vruchtbeginsel. Dit is de naam die men aan de fœtus, of liever, aan het Diertje geeft, waar van de aangroei in de lyfmoeder begint [1770; WNT vruchtbeginsel], men noemt die misselijke (‘grillige’) menschjes alle foetus [1800; WNT Aanv.]. Eerder al in het mnl. in Van fetus. Het is te weten hoe dat fetus wort gedisponeert vanden 12 tekenen onder die welken die planeten hem beroeren ‘Over de foetus. Men kan opmaken hoe de foetus gezind is uit de 12 tekens (van de dierenriem) waaronder de planeten hem beïnvloeden’ [ca. 1490; Huizenga 1997, 385], waar fetus wrsch. gezien moet worden als een Latijns woord, en in het vnnl. als “kunstwoord” foetus ‘vrucht’ [1658; Meijer].
Ontleend aan medisch Latijn foetus ‘ongeboren vrucht’, al in het Laatlatijn zo geschreven, maar in het klassiek Latijn bekend als fētus ‘broedsel, opbrengst’. Het is de substantivering van het bn. fētus ‘bevrucht’, oorspr. het verl.deelw. van een niet meer geattesteerd werkwoord *fēre ‘verwekken’ (waarbij secundair gevormd wel het werkwoord fetāre ‘bevruchten’), waarbij ook het bn. fēcundus ‘vruchtbaar’ behoort, en dat misschien teruggaat op de wortel van → filiaal.
feut zn. (NN) ‘eerstejaars, groentje’. Nnl. foetus ‘groen, eerstejaars’ [1844; WNT Aanv.], feut “scheldwoord voor noviet (groen); mispunt” [1953; Brandt/de Haan]. Vernederlandste vorm van het Latijnse woord.
Lit.: E. Huizenga (1997), Een nuttelike practijke van cirurgien. Geneeskunde en astrologie in het Middelnederlandse handschrift Wenen, Osterreichische Nationalbibliothek, 2818, Hilversum (handschrift van ca. 1490)

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

foetus [embryo] {1770} < latijn foetus = fetus [het voortbrengen, baren, werpen; gebroed, kind, jong, loot], verwant met fecundus [vruchtbaar] (vgl. fecundatie, feut).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

foetus embryo 1770 [WNT vruchtbeginsel] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut