Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

foedraal - (opbergkoker of -doos)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

foedraal zn. ‘opbergkoker of -doos’
Nnl. een geschenk van tafelzilver in een foudraal [1820-21; WNT], foedraal [1841; WNT glorie].
Ontleend aan Duits Futteral ‘id.’ [1419], gevormd bij Futter ‘voering’ (vergelijk mnl. voeder ‘id.’ en zie → voeren 2) naar het model van middeleeuws Latijn fotrale ‘foedraal’ [15e eeuw] dat op zijn beurt een afleiding is van fotrum ‘opbergkist’, dat weer ontleend is aan Middelhoogduits vuoter ‘voering, opberghoes’, de voorloper van het Duitse woord Futter. De -t- in Latijn fotrale duidt op een jongere ontlening; een oudere Latijnse vorm is fodorus ‘(zwaard)schede, foedraal, etui’ [1010; Niermeyer], dat teruggaat op een Germaans woord, wrsch. Frankisch *fōdr-.
Frankisch *fōdr- < pgm. *fōdar, te reconstrueren uit ohd. -fuotar in samenstellingen als boga-fuotar ‘pijlkoker’, got. fodr ‘schede’ en on. fóðr ‘foedraal, schede’.
Pgm. *fōdar is wrsch. een -tro-afleiding bij een wortel die ‘beschermen’ betekent, vergelijk bijv. Sanskrit pátro ‘vat, houder, omhulsel’ (Kluge).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

foedraal [koker] {1847} < hoogduits Futteral < middeleeuws latijn fotrale, van fotrum [doos, etui], fodorus, fodrus, futrus [schede], dat uit het germ. komt, vgl. middelnederlands voeder [voering, overtrek, foedraal] (vgl. voeren2).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

foedraal znw. o. in de 19de eeuw < nhd. futteral (voor het eerst 1390 in het oostduits) < mlat. fōtrale, futrale, afgeleid van mlat. fōtrum ‘schede’ (> ofra. fuerre ‘schede’), vgl. nfra. fourreau ‘overtrek, koker, schede’.

Intussen komt het mlat. fōtrum zelf weer uit het germ. (langob. en frank.), vgl. voeren 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

foedraal znw. o., nog niet bij Kil. Uit hd. futteral o. (sedert 1419); dit uit mlat. fotrâle “foedraal”, een afl. van mlat. fotrum = ofr. fuerre (fr. fourreau “overtrek, koker, scheede”, fourrure “pelswerk, pels”, dat uit ʼt Germ. (ohd. fôtar o., zie voeren II) komt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

foedraal o., gelijk Fr. fourreau, uit Hgd. futteral, afgel. van futter: z. voeren 1.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

foedraal (Duits Futteral)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

foedraal koker 1847 [KKU] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal