Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

focus - (brandpunt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

focus zn. ‘brandpunt’
Nnl. focus ‘brandpunt van lenzen, spiegels e.d., of in de meetkunde’ [1778; WNT vector]; ook overdrachtelijk ‘punt waar alles om draait, waar gedachten of krachten samenkomen’ [1841; WNT Aanv.].
Ontleend, de overdrachtelijke betekenis wellicht via het Engels [1762; OED], aan Neolatijn focus ‘brandpunt’ en teruggaand op klassiek Latijn focus ‘haard’.
De verdere etymologie van het Latijnse woord is niet zeker. Men noemt wel verband met het werkwoord fovēre ‘verwarmen’, maar dat is klankwettig niet wrsch.
De Duitse astronoom Johannes Kepler (1571-1630) was in 1604 de eerste die de term focus in de meetkundige betekenis ‘uitgangspunt van de voerstralen in kegelsneden’ gebruikt, die duidelijk een abstrahering is van het concretere ‘brandpunt van een lens of spiegel’, welke betekenis dus wrsch. al ouder is en die eenvoudig verklaard kan worden uit de klassiek-Latijnse betekenis.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

focus [brandpunt] {1778} < latijn focus [haard, vuur, gloed].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

1fokus s.nw.
Konsentrasiepunt of middelpunt, of punt waar 'n beeld gevorm word.
Uit Ndl. focus (1778).
Ndl. focus uit Latyn focus 'vuurherd, vuur, gloed'. Hierdie vuurherd was die blyplek van die Romeinse huisgode, die middelpunt van aandag, waaruit die huidige bet. ontwikkel het.
D. Fokus (20ste eeu).
Vgl. foyer.

Dateringen of neologismen

F. Bakker, E. van Ruijsendaal, P. Uljé, D. van Zijderveld, Vindpunt.nl – elektronisch doorzoekbare Woordenlijst Overbodig Engels met Nederlandse tegenhangers, uitgebreide en verbeterde voortzetting van de boekuitgaven Funshoppen in het Nederlands (2009) en Op-en-Top Nederlands (2015)

focus zn. Ontleend aan het Engels.
[alg.] = brandpunt; invalshoek, perspectief, richting; nadruk, klemtoon, klem, accent. Als je je perspectief verlegd, zie je de dingen heel anders.
Bij de bestrijding van zware criminaliteit ligt de nadruk op het verhogen van de pakkans.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

focus brandpunt 1778 [WNT vector] <Latijn

Thematische woordenboeken

P.H. van Laer (1964), Vreemde woorden in de sterrenkunde, 2e druk, Groningen

Focus (Lat.; = stookplaats, haard). Brandpunt (van een lens of spiegel).

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Focus (Lat. focus = stookplaats, haard). Brandpunt, brandvlak; ook wel: plaats vanwaar de straling uitgaat; b.v. bij Röntgenbuis.

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Focus (< Lat. focus = haard). Math. Brandpunt. Het begrip komt reeds bij Apollonios (3e eeuw v. Chr.) voor; de naam echter eerst bij Kepler (1571–1630).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

focus ‘brandpunt’ -> Indonesisch fokus ‘brandpunt’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal