Meehelpen? Ga naar etymologieWiki
|
fluks (spoedig, weldra)
M. Philippa e.a. (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands
fluks bw. ‘spoedig, weldra’ Mnl. vloechs ‘spoedig, vlug’ [1315-35; MNW-R], vluchs ‘id.’ [1430-50; MNW-P]; vnnl. doet haer floecx wech wijcken ‘laat hen snel terugdeinzen’ [1561; WNT], flux [1562; Kil. desultor], wy toghen fluckx te werck [1598; WNT]. Oorspronkelijk de genitief van mnl. vloghe ‘het vliegen, vlucht’, zie → vleugje, dus met de betekenis ‘in de vlucht, vliegensvlug’. De Middelnederlandse vormen hebben deels de -g- bewaard (vloechs, vloochs, vluchs), deels is deze geassimileerd aan de -s (vloes, vlues, vlus) zoals gebruikelijk bij de combinatie -chs-, zie bijv. → vos naast Duits Fuchs. Kiliaan (1599) onderscheidt die twee vormen: met velaar in de betekenis ‘snel’ (Kil. vlughs, flughs) en zonder velaar in de betekenis ‘spoedig, weldra, meteen’ (Kil. vloes, vleus, vlus); maar uit de vele vindplaatsen in het WNT blijkt niet dat dat betekenisverschil in het taalgebruik algemeen werd gevoeld. In de moderne standaardtaal heeft alleen de eerste vorm het overleefd, wrsch. onder invloed van Duits flugs. Kiliaan (1599) noemt flughs (in contrast met vlughs) nog expliciet “germ.”. Ook de -ks aan het eind van het woord, die vanaf het begin van de Vroegnieuwnederlandse periode overheerst, zal afkomstig zijn uit het Duits. Varianten zonder velaar bestaan alleen nog dialectisch, bijv. Brabants, Oost-Vlaams flus, fleus (Weijnen 2003). Mnd. vluks, vluk ‘haastig, snel, ijverig’. In het Middelnederlands bestond verder nog een woord vluchts met dezelfde betekenis. Het is niet duidelijk of dit de genitief van → vlucht 2 is (dat dan met het hier behandelde woord is samengevallen) of dat dit juist een door vlucht beïnvloede volksetymologische vervorming van vluchs is. Vermeldenswaardig is nog het volgende woordenboekcitaat uit de beginperiode van de burgerluchtvaart: fluks “(voorgesteld als kernachtig woord voor) vliegmachine” [1914; van Dale]. Lit.: Hoptman 2000; Schönfeld par. 50 (opm. 1), 81
G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch (incl. Supplement uit 2007)
1fluks b.nw. 1. Ywerig, gewillig om te werk. 2. Flink, lewendig, rats, aansienlik, agtermekaar. Uit Ndl. fluks (Mnl. vlog(e)s, vluch(te)s (waar vloge en vlucht saamgeval het)). Eerste optekeninge in Afr. by Pannevis (1880) en Mansvelt (1884).
2fluks b.nw. (streektaal) Groot van gestalte, frisgebou. Uit verouderde Ndl. fluksch (ongeveer 1600) 'm.b.t. iemand se voorkoms of liggaamskrag: flink, stewig, fors', gewestelik nog bekend in S.Ndl. Reeds by Van Riebeeck (1651 - 1662) in die aanhaling 'Zij waren zeer fraaie en zeer fluksche mannen van bijzondere goede statuur'.
flus bw. 1. Kort gelede. 2. Aanstons, oor 'n rukkie. Uit Ndl. flus (17de eeu) 'terstond, aanstons' (verouderd), 'aanstons, spoedig maar nie onmiddellik' (nie meer alg.), 'so-ewe' (nie meer alg.). Eerste optekening in Afr. by Mansvelt (1884).
flussies bw. 1. Kort gelede. 2. Aanstons, oor 'n rukkie. Uit verouderde Ndl. flusjes (ongeveer 1600) 'aanstons, straks'. Eerste optekeninge in Afr. by Pannevis (1880) en Mansvelt (1884).
N. van der Sijs (2001), Chronologisch Woordenboek
fluks spoedig, dadelijk 1485 [MNW] <Duits
P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Van Dale Etymologisch woordenboek
fluks* [dadelijk] {vloges, vluchs, vlus(ch) [vlug, met spoed, zoëven] 1351-1400} met het bijwoorden vormende achtervoegsel -s, van middelnederlands vloge, vluege, vlooch [vlucht, snelheid], middelnederduits vloges, middelhoogduits flug(e)s → vleug.
flus* [zoëven] {1644} nevenvorm van fluks.
J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek
fluks bijw., mnl. vlöges, vloechs, vlueghs, vluchs, vlus is een 2de nv. van vlooch, vloich m. ‘vlucht’ (zie: vleug), mnd. vlöges, mhd. fluges (nhd. flugs). Reeds Kiliaen geeft naast elkander op flughs en vlughs. Het is niet waarschijnlijk, dat de f slechts een ‘spelling-variant’ zou zijn; invloed van het duitse woord is niet onmogelijk en overigens kan de f door een emfatisch gebruik te verklaren zijn.
N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal
fluks bijw. Met fl- voor vl- uit mnl. vlȫghes, vlȫchs, vluchs “vlug”, oorspr. gen. van vlȫghe “vliegen, vlucht” (zie vleug). = mhd. fluges (nhd. flugs), mnd. vlōges. Kil. geeft flughs en vlughs op, ook reeds als bnw. Ndl. fluksch bnw. is slechts een spelling-variant. In fluks is ook mnl. vlucht(e)s “spoedig, dadelijk” = mnd. vluchtes “id.” (van vlucht) opgegaan.
C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement
fluks. Hetzelfde woord is dial., ouder-nnl. flus(jes) (zovla. fleus in vocalisme nog dicht bij vleug) ‘straks, terstond, zoëven’.
J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal
fluks, flus bijw., samensmelting van Mnl. vluchs en vluchts, adverbiale vormingen het eerste van vlug, het tweede van vlucht.
T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen
Fluks (Mnl. vluchts) is onder den invloed van ’t Hgd. flugs gevormd van vlucht, met de bijw. s.
Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)
Terug naar lijst
|