Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fluiten - (de fluit spelen; met de mond fluiten)

Etymologische (standaard)werken

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

fluiten ww., mnl. flûten, fleuten, floiten, mhd. flöuten (nhd. flöten), mnd. floiten “fluiten” uit ofr. flaüter, fleüter (fr. flûter). Gaat terug op lat. flâtus “geblaas”.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

2fluit ww.
1. 'n Geluid soos dié van 'n fluit (1fluit 1) voortbring. 2. (geselstaal) Urineer. 3. (ongewoon) 'n Plant ent.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. fluiten (1599 in bet. 1, 16de eeu in bet. 2). Bet. 3 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekening in Afr. in bet. 3 by Mansvelt (1884). In navolging van die WNT bring Boshoff - Nienaber (1967) die bet. 'urineer' in verband met Ndl. volkstaal fluit (1651) in die bet. 'penis', of met die verouderde gaan fluiten (1628) 'jou verwyder'.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

fluiten (floot, heeft gefloten), (ook, nieuw en ‘slang’:) 1. (te) veel praten. - 2. zijn mond voorbij praten tijdens een verhoor door de politie, doorslaan. Hij is gaan fluiten.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

fluiten. In Vlaanderen komt volgens Mullebrouck (1984) de verwensing fluut! voor. Ik zie hierin een dialectische variant van fluiten. De imperatief is hier elliptisch gebruikt. De volledige werkwoordelijke vorm luidt fluiten gaan ‘ervandoor gaan’. In de verwensing ontmoeten wij een emotionele betekenis die op afkeer duidt en weergegeven kan worden met ‘rot op, ik walg van je’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

fluiten ‘de fluit spelen; met de mond fluiten’ ->? Engels flout ‘(be)spotten, honen’; Duits dialect fleiten gaan ‘verloren gaan, ontglippen’; Deens gå fløjten ‘de mist in gaan, naar de knoppen gaan, verloren gaan’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors gå fløyten ‘de mist in gaan, naar de knoppen gaan, verloren gaan’ (uit Nederlands of Nederduits); Creools-Portugees (Malakka) floi ‘de fluit spelen’; Negerhollands flöjt ‘de fluit spelen; met de mond fluiten’ (uit Nederlands of Deens); Berbice-Nederlands floiti ‘de fluit spelen; met de mond fluiten’; Papiaments flùit ‘de fluit bespelen; met de mond fluiten’; Sranantongo froiti ‘de fluit spelen; met de mond fluiten’; Saramakkaans foloíti ‘de fluit spelen; met de mond fluiten’ .

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

508. Op zijn duim fluiten.

‘De vogelaar lokt den vogel met zijn fluitje. Maar wie nu bij gebreke van dit instrument zijn duim wilde gebruiken, zou wel iets in den mond steken, dat op eene fluit gelijkt, maar zeker zijn doel niet bereiken. Zoo beteekent de uitdrukking: niets krijgen, niets winnen, al geeft men zich nog zooveel moeite.’Taal en Letteren II, 227 en Tuinman I, 260. De uitdr. is in het begin der 17de eeuw bekend. Vgl. Van Lummel, Nieuw Geuzenlied-Boek, 432:

Wy steden seer getrouw,
Houden 't met 't groene pluymken,
Graef Maurits van Nassou
Fluyt ghy vry op u duymken.

Zie ook V. Breughel II, 13 v; Pers, Suypstad, 136; Van Moerk. 231; Janus, 132; Esopet, Toverlantaaren, 6; 't Daghet XII, 142. In Twente: den kan noe op 'n dômmen fluiten; Wander I, 562: hei fleutjet uppen Dumen (Hildesheim) in den zin van ‘hij verheugt zich’, doch ook I, 506 in onzen zin: de kann nu up den Dûm floiten (Rastede; Eckart 75); Woeste, 62 b: du kannst oppen dûmen flaiten. (Aanv.) In het Tijdschrift voor Taal en Letteren, XI, 85 wijst L.C. Michels op de synonieme uitdr. ergens naar kunnen fluiten. ‘Het ligt vrijwel voor de hand, dat beide zegswijzen ook in hun oorsprong synoniem zullen geweest zijn, minstens in deze zin, dat er in beide gefloten werd, om een of andere reden. De zaak ligt dan ook zo, dat men met eenige kunstvaardigheid zeer wel fluiten kan op zijn vingers, en bij ietwat groter kunstvaardigheid ook op zijn duim..... Men kan fluiten om iemand of iets terug te roepen, waarbij alle kans bestaat dat het niet uithaalt’. Hieruit ontwikkelt zich dan de beteekenis van ‘vergeefsche moeite’.

573. Iemand laten fluiten,

d.i. iemand tevergeefs laten roepen, laten wachten; eig. wel gezegd van iemand, die fluit om een weggeloopen hond of weggevlogen vogel. In de 17de eeuw bekend, blijkens Gew. Weuw. II, 51: Hij laat ze fluiten, die hy beet en binnen mikken heeft. Volgens Schuermans, 130 a komt de uitdr. ook voor in Braband en in Limburg. In het Antw. op de fluit spelen, niets krijgen, er op staan zien; een fluit, eene mislukte zaak (Antw. Idiot. 427). Zoo zeggen wij ook: ergens naar kunnen fluiten, vergeefsche moeite voor iets doen, eig. fluiten, zonder gehoor te ontvangen; in het fri.: hy kin der nei fluitsje, het is voor hem verloren, onbereikbaar. Vgl. Sjof. 215: 't Was zijn stiefmoer, as die zijn centen te pakken kreeg, dan kon hij d'r na fluiten; Handelsbl. 21 Aug. 1913, avondbl. p. 5 kol. 4: Men zou kunnen komen tot het oprichten van een school voor kunstfluiterij. Leerlingen zouden er genoeg komen, maar misschien kon je naar de duiten wel fluiten; Tuinman I, 139; II, 138: Het nafluiten hebben; Molema, 107 b: 'k Wil die wat fluiten, 'k doe het lange niet, 'k bedank er hartelijk voor; eigenl. 'k zal u laten fluiten, vergeefs laten roepen, wachten. Bij deze laatste uitdr. kan ook gedacht worden aan den vogelaar. Synoniem is de Zuidnederlandsche zegswijze achter iets mogen schuifelen, van iets moeten afzien, waarin ‘schuifelen’ ook fluiten beteekent; zie Schuermans, 605; Waasch Idiot. 587 en vgl. in Kl. Braband iemand laten fluiten naast iemand laten schuifelen (vgl. Waasch Idiot. 219 b); in het eng. you may whistle for it; fr. pouvoir siffler; bij Reuter, 30: nu fläut em nah. Syn.: Het nakijken hebben (hd. das Nachsehen haben), er naar kunnen kijken; vroeger: iemand kunnen nablazen of nafluiten (zie Ndl. Wdb. IX, 1318; 1321).

574. Fluiten gaan,

d.w.z. er vandoor gaan; vgl. Harreb. III, 23 a: Hij gaat ermede fluiten; Waasch Idiot. 219 b: De kerel is gaan fluiten (of fluizen); Teirl. 430: Gaan fluiten, weggaan, wegloopen; in Twente: Loop en fluiten, scheer je weg!; hiernaast: fluiten, weg is het!; ook in het hd. zegt men flöten gehen, -machen naast fleiten gahn (Wander I, 1079) en valeten gehen. Wellicht moet men in ‘fluiten’ het hebr. fleito (Portug.-hebr. feleta) zien, dat ontsnapt beteekent en in de verkeerstaal der Joden in den vorm pleite gaan d.i. op den loop gaan, bankroet gaan, gebruikt wordt (zie o.a. Dievenp. 90; Jord. 73: Maak je pleite!; Kalv. I, 96: De Leeuw is pleite; ook Nkr. V, 25 Mei, p. 6). Opmerkelijk is het evenwel, dat sedert de 16de eeuw de uitdrukking fluiten gaan vrij gewoon is (Trou m. Bl. 13; Coster, 532, vs. 1119; Kluchtspel III, 36; Hooft, Stijve Piet 4 v; heenfluiten bij Westerbaen II, 275 enz.), wat zeker niet pleit voor de afleiding uit het Hebreeuwsch. Eerder zal men moeten denken aan weggaan om te fluiten (d.i. urineeren; reeds in de 17de eeuw); daarna zich verwijderen in het algemeen. Vgl. Rutten, 175: met iets gaan pissen, er mede heengaan; ga wat pissen, pak u weg, syn. van gaat kakken of loopt kakken (Teirl. II, 101); eene pisser maken, stilletjes wegloopen (Onze Volkstaal II, 225); Teirl. 57: afzeeken, heimelijk en beschaamd heentrekken; fr. envoyer pisser (ou chier) qqn, iemand wegjagen; pisser à l'anglaise, stil wegloopen, zonder afscheid te nemen; Wander III, 1352: ha pösst säck weg, von einem, der sich unter dem Vorwande eines natürlichen Bedürfnisses davonschleicht; Grosz, Handbuch, 317: verpissen, beseitigen; sich wegpissen, davonschleichen. Zie Tijdschrift VIII, 319; Borchardt no. 379; Reuter, 30 en Schrader, 372-374; Korrespbl. XXVIII, 39; XXIX, 3, 29; XXXV, 61-62; Pa[u bakje]l u. Bra[u bakje]ne's, Beiträge XL, 61-62, waar allerlei gissingen te vinden zijn. In Limburg: hä is fleutepipe (tautologische samenstelling), d.i. hij is weg.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut