Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

fluit - (blaasinstrument)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

fluit zn. ‘blaasinstrument’
Mnl. floite ‘fluit’ [1240; Bern.] en in dese wagtere blaest ... met eenre floiten ‘deze wachter blaast met een fluit’ [1290-1310; MNW-P], flute ‘id.’ in dat arpenspel, dat ludet ... bet dant doet fluten ende tamburen ‘het harpenspel, dat klinkt beter dan fluiten en trommels’ [ca. 1290; MNW tamboere], fleute ‘id.’ in an sine zulveren fleute ‘aan zijn zilveren fluit’ [1361-62; MNW suwage]; vnnl. fluyte [1516; MNW].
Ontleend aan Oudfrans flaüte ‘fluit’ [ca. 1165; Rey] (nevenvormen flehute, fleuste, fluste; Nieuwfrans flûte), wrsch. oorspr. Provençaals flaüt. De verdere herkomst is onzeker, maar algemeen wordt aangenomen dat het om een klanknabootsend woord gaat, met fl- onder invloed van het Latijnse werkwoord flāre ‘blazen’ (verwant met → blazen). Guiraud is explicieter en veronderstelt afleiding van een werkwoord *flahuter, gecontamineerd uit *flaer < Latijn flāre en *huter ‘roepen’ (nu nog Normandisch), dat ook een klanknabootsend woord is.
Dit woord bevat al van begin af aan een tweeklank (net als in het Oudfrans; ook Middelhoogduits vloite, flöute), die in het Middelnederlands nog afwisselend met u, oy (oi), eu wordt weergegeven, maar al in het Vroegnieuwnederlands vrijwel uitsluitend als -uy-, -ui- (< u); zie ook → buitelen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

fluit [blaasinstrument] {flute, floyte 1351-1400} < frans flûte < provençaals flaitto, een vermenging van flaujol + laüt [luit].

fluitschip [vrachtschip] {1642} met zijn welhaast rond grootspant, ronde spiegel en sterk ingehaalde boorden op grond van vormovereenkomst genoemd naar het muziekinstrument.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

fluit 1 znw. v. ‘blaasinstrument’, mnl. flûte, fleute, floite < ofra. flaüte, fleüte (nfra. flûte) < prov. fläut, dat hoe dan ook te verklaren, niet op lat. flatus zal teruggaan. — Zie: fluit 2.

fluit 2 znw. v. of fluitschip, naam van een vrachtschip met drie masten en rondachtige romp (volgens Van Dale 8ste druk 557 in het begin der 17de eeuw in gebruik gekomen, maar blijkens de ne. ontlening wel reeds vroeger). Dit zal wel hetzelfde woord zijn als fluit 1, al kan de vorm nauwelijks aanleiding geweest zijn tot dit overdrachtelijk gebruik. — > nnd. fleute, nhd. fleutschiff, ouder-de. fløjte; > ne. flute (sedert 1567) en mogelijk ook flight (sedert 1769; vgl. Bense 101); > fra. flûte (sedert de 17de eeuw, vgl. Valkhoff 139). — Opmerkelijk is, dat hiernaast als naam van een schip pluit staat.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

fluit znw., mnl. flûte, fleute, floite v. Evenals mhd. vloite, flöute (nhd. flöte), mnd. floite v. “fluit” uit ofr. flaüte, fleüte (fr. flûte).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

fluit, heeft de vanouds diphthongische, ook in niet-diphthongerende diall. als diphthong voorkomende ui2, die in uit het Rom. ontleende woorden niet zeldzaam is (zie ook spuiten Suppl.). Zie over deze klank Muller Tschr. 40, 144 vlgg.
De geschiedenis van het fr. woord is niet duidelijk: het mag in ieder geval niet zomaar op lat. flâtus worden herleid.
Fluit ‘soort schip’ is hetzelfde woord, in het Ndl. op een schip toegepast en in die bet. in het Fr. (flûte) terugontleend. Uit het Ndl., misschien via ndd. fleute, ook hd. fleutschiff o. en ouder-de. fløjte ‘soort schip’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

fluit v. (speeltuig), Mnl. floite, flute, uit Ofra. flaute (thans flûte), afgel. van flauter, Mlat. *flatuare = blazen, van v.d. van Lat. flare = blazen (z.d.w.). Het werkw. fluiten is een denom. en moest dus zwak zijn.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

1fluit s.nw.
1. Blaasinstrument as musiekinstrument. 2. (gewoonlik in die verkleinw. fluitjie) Blaasinstrument waarmee seine gegee word. 3. Geluid wat 'n mens voortbring deur te fluit (2fluit 1). 4. Drinkglas met 'n spesifieke vorm.
Uit Ndl. fluit (Mnl. flute in bet. 1, 1523 in bet. 2, 1599 in bet. 3, 1621 in bet. 4). Ndl. fluit in die bet. 'blaasinstrument om spesifiek in sport 'n sein te gee' dateer uit 1909.
Ndl. fluit uit Fr. flûte uit Provensaals flauta, waarvan die herkoms onseker is.
D. Flöte, Eng. flute. Vanuit Afr. in S.A.Eng. in die afleiding fluitjie (1913 in die bet. 'mondfluitjie').

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

fluit: l. “blaasinstrument”; 2. “bep. soort skippie” (sedert 17e eeu, by vRieb fluyt(jen), later beter bek. as fluitschip); Ndl. fluit (Mnl. .flute/fleute/floite) hou, soos Hd. flöte en Eng. flute, verb. m. Fr. flûte (Ofr. flaüte/fleüte) in albei bet. en gaan misk. terug op Lat. flatus, “opgeblaas”; ook die Afr. ww. gebr. v. fluit in bet. “urineer”, is in Ndl. bek. en word in verb. gebring m. Ndl. fluit, “penis”, maar misk. kan ook gedink word aan Ndl. ww. fluiten, “jou verwyder” (vgl. agtertoe gaan; gaan jakkals skiet).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

fluit (Frans flûte)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Fluit van ’t Fr. flûte en dit van ’t Lat. flare == blazen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

fluit ‘blaasinstrument’ -> Duits Flöte ‘blaasinstrument’; Deens gå fløjten ‘de mist in gaan’; Deens fløjte ‘blaasinstrument; fluitsignaal’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors fløyte ‘blaasinstrument; fluitsignaal’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors gå fløyten ‘de mist in gaan’; Zweeds flöjt ‘blaasinstrument; fluitsignaal’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests flööt ‘blaasinstrument’ ; Macedonisch flejta ‘blaasinstrument’ ; Russisch flejta ‘blaasinstrument’; Bulgaars flejta ‘blaasinstrument’ ; Oekraïens flejta ‘blaasinstrument’ ; Wit-Russisch fléjta ‘blaasinstrument’ ; Azeri fleyta ‘blaasinstrument’ ; Litouws fleita ‘blaasinstrument’ ; Zuid-Afrikaans-Engels fluitjie ‘mondharmonica’ ; Indonesisch peluit ‘blaasinstrument; sirene, fluitsignaal’; Ambons-Maleis floit ‘blaasinstrument’; Jakartaans-Maleis peluit ‘pijp; sirene’; Javaans pluwit, pluit ‘Europese fluit’; Kupang-Maleis floit ‘dwarsfluit’; Makassaars polôí, palôí ‘blaasinstrument, fluitje; stoomfluit van boot’; Menadonees floit ‘dwarsfluit’; Muna fuloi ‘blaasinstrument’; Sahu fuluti ‘blaasinstrument’; Ternataans-Maleis floit ‘dwarsfluit’; Creools-Portugees (Batavia) fluit ‘blaasinstrument’; Creools-Portugees (Malakka) floi ‘blaasinstrument’; Papiaments flùit (ouder: fleit) ‘blaasinstrument’; Sranantongo froiti (ouder: floiti en froiti) ‘blaasinstrument’; Saramakkaans foloíti ‘blaasinstrument’ ; Arowaks flauta ‘blaasinstrument’.

fluit ‘schip’ -> Engels flute ‘driemaster, lichtbewapend troepentransportschip’; Duits Flüte, Fleute ‘driemaster uit de 17e en 18e eeuw’; Deens fløjte, fløjtskib ‘driemastschip’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors fløyte, fløytskip ‘driemaster, koopvaardijschip’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds flöjt ‘lang, smal schip veelal met platte bodem en drie masten’; Fins flöytti ‘bepaald type zeilschip’; Frans flûte ‘oorlogsschip dat voor het transport van materiaal zorgde; groot plat schip (in Nederland)’; Italiaans flauto ‘bepaald schip’ ; Bretons flut ‘iets in de vorm van een boot’ ; Russisch flejt ‘soort vrachtschip’; Oekraïens flejt ‘soort vrachtschip’ .

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

fluit. Fluit is in het Nederlands een Frans leenwoord, al bekend sinds 1240. Bij ons heeft het woord verschillende betekenissen: de oudste is die van blaasinstrument, vervolgens werd het - meestal in de verkleinvorm fluitje - gebruikt voor een instrument voor het geven van signalen en voor het aldus gegeven signaal, en tot slot duidt fluit of fluitschip een bepaald lang en rondachtig schip aan. De geschiedenis van dit schip is beschreven door André Wegener Sleeswyk in De Gouden Eeuw van het fluitschip. Het schip werd fluit genoemd omdat de vorm ervan deed denken aan die van het blaasinstrument. De bijzondere vorm van de fluit heeft aanleiding gegeven tot méér overdrachtelijke betekenissen: fluit wordt sinds de zeventiende eeuw gebruikt ter aanduiding van een hoog en smal drinkglas, van het mannelijk lid, en sinds begin twintigste eeuw van een lang en smal brood.

Dankzij de Chronijk van de stadt van Hooren van D. Velius uit 1604 weten we precies uit welk jaar de naam fluit als scheepsnaam dateert. Velius schrijft namelijk: 'Dit selve iaer [1595] werden hier de schepen, die men Hoorense gaings oft fluijten noemt, eerst ghemaeckt, zijnde de selve viermal so lang als wijt [breed], sommige nog langer...' Het scheepstype werd dus in 1595 voor het eerst gebouwd. Veelal wordt de Hoornse koopman Pieter Jansz. Liorne als uitvinder aangemerkt, maar volgens Wegener Sleeswyk heeft hij slechts bestaande ontwerpen verbeterd. Wél kan hij gelden als de munter van de naam fluit - ook een hele verdienste. Het nieuwe ontwerp was zeer succesvol, in binnen- en buitenland: het schip was snel, had slechts een kleine bemanning nodig, en dankzij het smalle dek hoefde men bij de passage door de Sont slechts weinig belasting te betalen, want die hing af van het dekoppervlak.

Het Nederlandse woord fluit is in drie betekenissen uitgeleend aan andere talen. In het Ambonees wordt floit gebruikt voor het muziekinstrument. Het Ambonees is een Indonesische taal die sinds ongeveer 1500 een eigen ontwikkeling heeft doorgemaakt. Onder de Nederlanders werd Ambon het centrum van de specerijenhandel en van het bestuur in oostelijk Indonesië. Zoals alle Indonesische streektalen staat het momenteel onder invloed van het Bahasa Indonesia, de taal waarmee steeds meer mensen in de Indonesische Archipel in aanraking komen dankzij onderwijs, bestuur, de verschillende communicatiemiddelen en media, en door toegenomen mobiliteit. Het woord floit echter heeft het Ambonees rechtstreeks ontleend aan het Nederlands en niet via het Indonesisch. In die taal is het woord ook overgenomen, maar in een andere vorm en in een andere betekenis, namelijk als peluit 'fluitje, fluitsignaal': peluit lokomotif is het fluitsignaal van een trein.

In het Sranantongo is de naam voor het muziekinstrument geleend als froiti, terwijl in het Papiaments flùit zowel wordt gebruikt voor het blaasinstrument als voor een fluitje om een signaal mee te geven.

Het Duitse woord Flöte 'blaasinstrument' is al in de dertiende eeuw overgenomen van het Nederlands. In de middeleeuwen stond het Zuid-Nederlandse ridderwezen namelijk in zo'n hoog aanzien dat het diende als schakel tussen de Franse en de Duitse adel, met als gevolg dat allerlei Franse leenwoorden via het (Zuid-)Nederlands in het Duits zijn beland. De weg die de ontleningen volgden was van Noord-Frankrijk, met name Normandië en Picardië, door de Nederlanden en Henegouwen naar Duitsland. Ook het woord juweel heeft deze route gevolgd.

Het Deense fløjte, het Noorse fløyte en het Zweedse flöjt (zie illustratie 6) voor 'blaasinstrument' en 'fluitsignaal' zijn ontleend aan het Middelnederduits of het Nederlands. Deze betekenissen heeft ook het Noorse fløite, maar dát woord betekent tevens 'fluitschip'. Dan is er nog de fascinerende uitdrukking die in het Deens gå fløjten en in het Noors gå fløyten luidt, met de betekenis 'de mist in gaan, naar de knoppen gaan, verloren gaan'. Men veronderstelt dat deze uitdrukking teruggaat op de verouderde Nederlandse uitdrukking gaan fluiten 'ervandoor gaan, weggaan' - waarschijnlijk moet men hierbij denken aan weggaan om te fluiten ofwel te urineren (al bekend in de zeventiende eeuw en afgeleid van fluit in de overdrachtelijke betekenis 'mannelijk lid'); daarna kreeg gaan fluiten de betekenis 'zich verwijderen' in het algemeen. Ook bestond vroeger in het Nederlands de uitdrukking fluiten zijn 'weg zijn, verloren zijn'.

Het Russisch heeft de naam van het blaasinstrument in de periode van Peter de Grote geleend, eerst als flejt en tegenwoordig als flejta. Dat laatste heeft het Russisch doorgeleend aan het Macedonisch en Bulgaars. Daarnaast heeft het Russisch flejt 'fluitschip' geleend, maar dit is pas in de negentiende eeuw in Russische bronnen aangetroffen.

De Duitse scheepsnaam Flüte, Fleute 'fluitschip', bekend sinds 1627, en de Engelse naam flute, sinds 1666 in gebruik, zijn Nederlandse leenwoorden. Over de herkomst van de Franse benaming flûte 'fluitschip' verkeren de Franse etymologische woordenboeken echter in twijfel. Zij wijzen erop dat al in 1559 - eenmalig - de vorm fluste voorkomt ter aanduiding van een scheepstype. Dat is dan lang voordat in het Nederlands de naam fluit voorkomt, die volgens deze woordenboeken pas bestaat sinds 1681 - dat scheepstype en naam in 1595 zijn uitgevonden, is bij de Franse etymologen niet bekend. Aangezien de Franse naam niet ouder kan zijn dan de Nederlandse uitvinding, moet fluste een andere oorsprong hebben; het meest waarschijnlijk is dat er hier sprake is van een verschrijving van fuste, de benaming voor een zeeschip met laag boord dat door zeilen en riemen werd voortbewogen. Dit woord is sinds 1392 in het Frans bekend en ontleend aan het Italiaanse fusta. De eerste vermelding van flûte 'fluitschip' in het Frans is van 1671, en dat past weer prima bij ontlening aan het Nederlandse fluit. Ter herinnering: dit woord was oorspronkelijk, als naam voor een blaasinstrument, ontleend aan het Frans.

In het Frans en Engels is de naam van het blaasinstrument onder invloed van het Nederlands uitgebreid met een nieuwe betekenis 'fluitschip': het Franse flûte en het Engelse flute hebben tegenwoordig dus twee betekenissen. Daarentegen kennen het Duits, Russisch en Noors twee woorden, die beide zijn ontleend aan het Nederlands, een voor het blaasinstrument en een voor het schip.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

fluit blaasinstrument 1351-1400 [MNW] <Frans

fluitschip vrachtschip 1642 [WNT quel]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut