Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

flonkeren - (schitteren, glimmen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

flonkeren ww. ‘schitteren, glimmen’
Vnnl. in dat vlonkeren van die kerse hindert die oogen ‘het schitteren van de kaars is onprettig in de ogen’ [1552; Apherdianus], 't goud dat flonckerde in haer ooghen ‘het goud dat glansde in haar ogen’ [1620; WNT]; nnl. 't luchtgewelfsel pronkt met flonkerende lampen ‘het hemelgewelf pronkt met schitterende lichten’ [1746; WNT].
Herkomst zeer onduidelijk. Wellicht een genasaliseerde variant bij pgm. *flak- zoals in → flakkeren. Misschien horend bij → vloeken, dat ‘slaan’ betekende, uit pie. *pleh2g- ‘slaan’. Misschien verband houdend met mnl. vlinken ‘schitteren’ in vlinken als scone sterren ‘schitteren’ [1300-50; MNW-R], dat wellicht een klankvariant is van → blinken. Een grote groep woorden met fl- is klankexpressief met de grondbetekenis ‘heen- en weergaan’. Zie ook → flink.
Het nnd. heeft flunkern ‘id.’ [17e eeuw; Pfeifer] (waaruit ook Hoogduits flunkern [18e eeuw; Pfeifer]).
Lit.: Hoptman 2000; Schönfeld par. 50, opm. 1

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

flonkeren* [warm schitteren] {1552} nevenvorm met iteratief karakter van middelnederlands vlinken [schitteren, flonkeren] (vgl. flikkeren).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

flonkeren ww., eerst sedert de 17de eeuw, iteratieve bijvorm van mnl. vlinken ‘schitteren, flikkeren; snel bewegen’. Het best op te vatten als affectieve bijvorm bij flikkeren, waarvoor zie ook: flink. — > nhd. flunkern ‘flonkeren, ijdel doen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

flonkeren ww., nog niet bij Kil. = nnd. nhd. flunkern “flonkeren, ijdel doen”. Zie flink.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

flonkeren. Reeds vroeg-17e-eeuws.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

flonkeren ono.w., + Nhd. flunkern = ijdel pronken, enz., wellicht nasaleering van flakkeren; z. ook flink 1.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

flonkeren ‘warm schitteren’ -> Duits flunkern ‘opsnijden, zich schitterend voordoen’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

flonkeren* warm schitteren 1552 [Toll.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut