Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

floers - (sluier; zwarte doorschijnende stof)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

floers zn. ‘sluier’; (NN) ‘zwarte doorschijnende stof’
Mnl. floers ‘stofnaam’ in een geïsoleerde vindplaats: van 14 ellen swarts sindaels ende roet van floers ‘14 el zwart fijn linnen (of: zijde) en rood floers’ [1336-39; MNW] (onduidelijk is welke stof; wrsch. niet fluweel, want in dezelfde bron komt ook de vorm roods velueels voor); daarna pas vnnl. vloers ‘bepaalde stof’ in: een paleersel met 6 ellen wit vloers met silver ‘een siersel met 6 el wit floers met zilver’ [1620; WNT], ‘sluier of sluierachtige bedekking’ in geen maskeren, nog voilen, Noch Floersen houden my ... verschoolen ‘geen maskers, voiles of sluiers houden mij verscholen’ [1659; WNT]. Tegenwoordig vrijwel uitsluitend overdrachtelijk, als in het floers van de nacht of een floers van tranen, en in de afleiding omfloerst ‘wazig’.
Herkomst niet helemaal zeker. Pfeifer veronderstelt dat floers, in het Duits overgenomen als Flor ‘doorzichtig weefsel, sluier’ [eind 16e eeuw], ontleend is aan Middelfrans floret ‘grove zijdesoort, afvalzijde’ [1563; TLF fleuret], hoewel floers fijne zijde is; bovendien wordt de -s in het Nederlands niet verklaard. Het WNT verklaart floers uit Middelfrans flours, meervoud van een verouderde vorm van fleur ‘bloem’, maar dat lijkt semantisch niet wrsch.
Beide onderscheiden het woord van het verouderde homoniem floers ‘opstaande draden van fluweel’ [1862; WNT], dat ontleend is aan Frans velours ‘fluweel’ [1377; Rey]. Toch gaat ook het hier behandelde woord wrsch. terug op velours (via het Oudfrans teruggaand op Laatlatijn villosus ‘harig, ruig’, zie → velours), en heeft het in het Nederlands al vroeg een eigen betekenisontwikkeling ondergaan: ‘fluweel’ > ‘zwart fluweel als rouwkleur’ > ‘zwarte stof gebruikt bij rouwplechtigheden’ > ‘rouwsluier’ > ‘sluierstof’. Hiervoor pleit onder meer: a) dat floer in bepaalde Zuid-Nederlandse dialecten nog steeds ‘fluweel’ kan betekenen, en b) dat bij een befloerste trom [1827; WNT trom I] geen sprake kan zijn van dunne doorschijnende stof, omdat deze dan algauw kapot zou gaan.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

floers [stof] {1336-1339} < oudfrans velous met invoeging van r, vgl. de latere ontlening velours.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

floers znw. o., mnl. floers ‘fluweel’ < fra. velous < lat. villōsus ‘ruig, harig’. De vorm met r is opvallend; ook het nfra. kent velours, maar dit treedt eerst sedert de 16de eeuw op, zodat het mnl. op eigen hand de r moet hebben ingevoegd.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

floers znw. o., mnl. floers (o.?) “fluweel”. Uit ofr. velous “id.” (< lat. villôsus “harig”) met eerst ndl. r of uit een ofr. bijvorm met r (vgl. fr. velours); zie jaloers. Ndl. dial. (Antw. brab. limb.) floer is òf uit ʼt zonder s uitgesproken fr. woord ontleend of uit ndl. floers vervormd. Uit ʼt Ndl. nhd. flor m. “floers, krip”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

floers. Daar de vorm met r in het Fr. jonger is dan in het Ndl., zal de r in het Ndl. zijn ingevoegd. Misschien hypercorrect naar gevallen als mnl. (vla.) sorcoes naast sorcoers < ofr. secors, socors (vgl. ook rijmen als borst: lost, eerst: meest), waarin r vóór s — in moderne vla. diall. geheel weggevallen — blijkbaar reeds in de latere ME. zwak werd gearticuleerd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

floers o., uit Fr. velours, Ofra. velous (vergel. jaloers en jaloux). van Lat.. villosum (-us) = harig, afgel. van villus = ruw haar, verwant met vellus = vlies en met wol.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

floers s.nw.
1. (deftig) Krip of lanfer. 2. Iets wat bedek, verberg, versluier.
Uit Ndl. floers (al Mnl.).
Ndl. floers óf uit Oudfrans flours 'blomme', met die oorspr. bet. 'fynste weefsel', óf uit Mnl. floers 'fluweel'.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

floers (Oudfrans velous)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

floers ‘geweven stof; sluier’ -> Duits Flor ‘doorzichtig weefsel; rouwband; pool; sluier’; Deens flor ‘geweven stof, de haren op fluweel’ ; Noors flor ‘geweven stof’ (uit Nederlands of Nederduits); Kroatisch flor ‘fijn doorzichtig weefsel; rouwband’ ; Macedonisch flor ‘fijn doorzichtig weefsel; rouwband’ ; Servisch flor ‘fijn doorzichtig weefsel; rouwband’ ; Sloveens flor ‘fijn doorzichtig weefsel; rouwband’ ; Russisch flër ‘fijn doorzichtig weefsel’ ; Oekraïens flër ‘fijn doorzichtig weefsel’ ; Lets flors ‘geweven stof’; Hongaars flór ‘doorzichtig weefsel, sluier’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

floers geweven stof 1336-1339 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal